Voor kinderen met een beperkte beheersing van het Nederlands staat taalontwikkeling centraal in groep 1 en 2. Veel leerkrachten zorgen voor een aangepast taalaanbod. Maar kinderen moeten ook zelf veel kunnen praten. Taalproductie is een motor van de taalontwikkeling.

Praten is heel belangrijk voor taalverwerving. Want wat gebeurt er als een kind iets probeert te zeggen? Dan merkt het dat het iets nog niet precies weet; daardoor gaat het goed letten op de taal om zich heen. Zo krijgt het nieuwe kennis, die het direct kan gebruiken. We noemen dit het taalleermechanisme. Mensen verwerven taal doordat zij bij hun gesprekspartner(s) de elementen zoeken die zij nodig hebben om iets te zeggen. Iedereen die wel eens in het buitenland is geweest, weet hoe dit voelt. Niemand leert de Franse woorden voor pijn, kies, boren, verdoving en wortelkanaalbehandeling sneller dan een toerist die een Franse tandarts probeert uit te leggen wat eraan schort en te begrijpen wat le dentiste van plan is te gaan doen.
GESPREKSTECHNIEKEN
De leerkracht doet er dus goed aan om situaties te creëren waarin kinderen graag zelf aan het woord zijn, zoals rollenspelen, ontdekactiviteiten en gesprekken over verhalen, bijzondere voorwerpen (een vergrootglas, gereedschap, keukenspullen) en prikkelende vragen, zoals ‘Waar ga je slapen als je geen huis hebt?’ Om de kinderen echt aan het praten te krijgen, gebruikt de leerkracht speciale gesprekstechnieken.
digitale foto’s stimuleren gesprekken
Zij kan verschillende soorten vragen stellen (van gesloten ja/nee-vragen tot heel open vragen naar de eigen ervaringen van kinderen), stiltes laten vallen, instemmend knikken, verwonderd de wenkbrauwen optrekken, doorvragen (‘Wat bedoel je daar precies mee?’) en beweringen
doen die reacties uitlokken (‘Ik vind pannenkoeken helemaal niet lekker’). Jochem van Gelder, de presentator van Praatjesmakers, is een meester in het toepassen van deze technieken. Kijk maar eens hoe de kinderen reageren wanneer hij zegt: ‘Vertel eens, hoe gaat dat dan precies?’ Leerkrachten die deze technieken consequent toepassen, merken dat kinderen meer gaan praten, ook ‘stille kinderen’ .
ICT EN TAALPRODUCTIE
De computer kan een waardevolle rol spelen bij het stimuleren van de taalproductie van kinderen. Steeds meer leerkrachten
maken zelf digitale foto’s en gebruiken die vervolgens voor PowerPoint-presentaties. Een leerkracht kan foto’s van een uitstapje laten zien als diaserie, waarbij zij de kinderen stimuleert om te praten over wat ze gedaan hebben. Zo komen de woorden en uitdrukkingen die horen bij de activiteit weer terug in hun actieve taalgebruik.
Ook zijn deze gesprekken nuttig om te oefenen met grammaticale constructies voor de verleden tijd. Anderstalige kinderen hebben vaak de neiging om werkwoordvervoegingen te omzeilen. Een kind dat zichzelf op een foto op de glijbaan ziet, zal dan bijvoorbeeld zeggen: ‘En toen ging ik naar beneden glijden’ in plaats van: ‘Toen gleed ik naar beneden’.
Een leerkracht die hier alert op is, geeft het kind direct feedback in de vorm van ‘herverwoorden’: ‘Oh, je gleed naar beneden!’
Ook foto’s van bijvoorbeeld de thuissituatie (huisdieren, gezinsleden) of de buurt (een ontdektocht) of bijzondere activiteiten
(een zoektocht naar kleine beestjes of een interview met een gast in de klas) zijn zeer geschikt voor dit soort gesprekken.
Ervaring leert dat kinderen weinig aanmoediging nodig hebben om te praten over digitale foto’s zodra ze zichzelf zien,
beginnen ze te praten. En ook na een aantal keren blijven ze dat leuk vinden. Vooral kinderen bij wie het Nederlands nog
niet goed is ontwikkeld, hebben baat bij dit soort herhaling.
Dit artikel is afkomstig van Didaktief, opinie en onderzoeksblad voor schoolpraktijk. Meer informatie vindt u op de site http://www.didaktief.nl
Deze suggesties voor taalstimulering zijn gebaseerd op De Taallijn:
interactief onderwijs voor groep 1 en 2 (Nijmegen, Expertisecentrum Nederlands, 2006) en zijn onderdeel van de Vversterkscholing.
Kees Broekhof werkt bij Sardes als taalkundige.
















