Scan van items rond het thema (ontwikkeling van) jongens
Bron: www.laukwoltring.nl
Lauk Woltring/Werken met jongens. Meer info, literatuur, tips en links: www.laukwoltring.nl
WJ10 406 Masterclass Items 15 maart 2010
(Oorspronkelijk quick scan t.b.v. NOS-Radio 1 Journaal 30-11-‘09 (bij CBS-Jeugdmonitor 2009)
1 Inleiding
De CBS-jeugdmonitor 2009 toont dat het met meisjes op veel terreinen beter gaat dan met jongens. Het gaat gemiddeld met jongens minder goed. Denk aan onderwijsuitval, lagere scores in VO, HBO en Universiteit, ´rugzakjes´, speciaal onderwijs, jeugdwerkeloosheid, drank, drugs, verkeer, ´kleine´criminaliteit, destructief gedrag, relationele problemen en suïcide.
Geen problemen maken waar ze niet zijn. Sommige jongens komen prima uit de verf, velen blijven echter ónder hun mogelijkheden, ontwikkelen zich eenzijdig en een wat kleinere groep komt echt in de problemen. En sommigen daarvan richten ook grote problemen áán.
Goed dat we niet meer ongedifferentieerd praten over jongeren in het algemeen. Naast andere dimensies (stad/platteland, autochtoon/allochtoon, sociaal economische status, opleiding ouders, etc.) is er bij veel items ook een seksespecifieke dimensie aanwijsbaar.
We hebben het dan wel over gemiddelden met grote overlaps. Reduceer kinderen niet tot hun sekse, ieder kind is anders, maar het gemiddelde beeld is inderdaad voor jongens op veel terrei-nen minder positief. Het gaat er om dat beleidsmakers, docenten en andere begeleiders feeling ontwikkelen voor sekseverschillen in aanleg, rijping, omgevingsinvloeden en de manieren waarop jongens en meisjes bijvoorbeeld leren of stress hanteren, en daar op in spelen.
Datgene waar juist jongens vaak góed in zijn (grote motoriek, uitproberen, experimen-teerdrang, onderzoeken, beweging, fantasie) wordt vaak als lastig ervaren door volwassenen die er niet goed op weten te reageren. Deze kwaliteiten komen in opvoeding en onderwijs min-der in beeld, komen buiten sport, uitgaansleven, media en internet minder aan bod en komen ook op de arbeidsmarkt minder uit de verf. Dit kan zich uiteindelijk tégen de maatschappij keren (‘Use it or loose it’, verloren talenten, maar ook in de vorm van energie die de vorm van agressie aanneemt en tot grote kostenposten leidt: politie, justitie, jeugdhulpverlening, werkeloosheid, dure bijscholing, langere schoolduur, etc.)
2 Oorzaken?
De situatie en perspectieven voor jongens en meisjes zijn in de afgelopen decennia ingrijpend veranderd.
Er is niet één oorzaak van voorkomende problemen. Het gaat om de interactie tussen veranderingen in de omgeving en dat wat qua aanleg gegeven is. In die interactie zit een sek-sespecifieke dimensie. Problemen ontstaan niet op een bepaalde leeftijd, maar ontwikkelen zich vanaf de geboorte, eerst latent, dan manifest. Het vliegwiel begint al vroeg de verkeerde kant uit te draaien en krijgt soms een tikje de verkeerde kant uit in plaats van de goede kant op.
De meeste problemen bij jongens worden rond 10-12 jaar manifest – als de hormonen gaan stromen, alcohol, drugs en internet meer binnen bereik komen, de afstand tot thuis groeit, de peergroup (met dezelfde problemen) belangrijker wordt en tegelijk de eisen van school en maatschappij groter worden. Veel jongens zijn daar niet adequaat op voorbereid. Niet qua innerlijke ontwikkeling en niet qua benodigde vaardigheden.
3 Veranderingen vroeger – nu:
Onderwijs, arbeidsmarkt, sekserollen, cultuurverschillen, medialandschap, alcohol/drugs
3.1 De Arbeid(-smarkt) is sinds de jaren ’50-’60 ingrijpend veranderd
3.1.1 Er is minder zware fysieke arbeid (deze traditioneel vooral mannelijke arbeid verdwijnt: sjouwen, mijnbouw, visserij, landbouw, industrie) en maakt plaats voor meer meer dienstverlening en high tech.
3.1.2 Meer automatisering en complexe techniek vraagt om afstemming, fijnere motoriek, communicatie en zorgvuldige planning. Gevolgen van fouten zijn groter en kostbaarder.
3.1.3 Er is meer verbale communicatie, anticipatie en planning vereist.
3.1.4 Er wordt meer autonomie en zelfmanagement gevraagd (o.a. impulscontrole)
Jongens kúnnen dat allemaal best leren, maar dat gaat niet vanzelf. Daarvoor moet je hun kwaliteiten, dat waar juist zij goed in zijn, en hun dilemma’s, hun ontwikkelingsopgaven, ook goed begrijpen om van daaruit ook andere zaken tot ontwikkeling te brengen.
3.2 Het Onderwijs is ingrijpend veranderd (zonder voldoende acht te slaan op wat dat van jóngens vraagt)
3.2.1 Er staan minder mannen voor de klas (PO). Zo is er weinig sekserol-identificatie. Dit beïn-vloedt ook de didactiek: mannen hanteren veelal een andere stijl dan vrouwen (bijv. tot uitdrukking komend in taal, risicoacceptatie, andere humor).
3.2.2 Meer nadruk op ‘talige’ ontwikkeling (voor jongens vaak iets te vroeg in hun ontwikke-ling)
3.2.3 Minder grote motoriek (minder bevoegd gegeven lessen L.O.; minder uitdagende L.O.)
3.2.4 Weinig ruimte voor aanvaardbare risico’s (waar jongens juist veel van leren)
3.2.5 Meer nadruk op eigen planning (voor veel jongens telkens iets te vroeg)
3.2.6 Lagere tolerantie voor experimenterend gedrag in en om de school (met natuurlijk wel duidelijke grenzen: te weinig grenzen leidt chaos; teveel grenzen leidt tot rebellie of wrok en zich terugtrekken)
3.2.7 In het kader van vrouwenemancipatie is er – volkomen terecht! – gekeken naar hoe meisjes zich ontwikkelen. Weinig wetenschappers hebben zich echter bekommerd om de veranderde positie van en ontwikkeling van jongens. (Vgl. ook de emancipatiemonitor).
3.2.8 Men kan zich echter afvragen of er niet een verborgen ‘vrouwelijk’ format is ontstaan (talig, planning, gehoorzaam, fijne motoriek). Niet of nauwelijks bewust maar als resultante van een aantal onderwijshervormingen en arbeidsmarktbewegingen in de onderwijssector en tekortschietende interesse voor, of ergernis over jongens, en een enkele keer zelfs nauwelijks verhuld triomfantalisme
3.2.9 Te vroeg te hoge verwachtingen. (Vgl. competentiegericht onderwijs, studiehuis)
Een houding van “Ze zouden inmiddels toch moeten weten of kunnen, …. “ e.d. komt vaak in plaats van nieuwsgierigheid: “Weten ze al echt dat…, Kúnnen ze al…?)” . Het weten, de cognitieve ontwikkeling is vanaf 11 jaar al potentieel zeer hoog, maar wordt in de adolescentie vaak overruled door hormonale en sociaal-emotionele ontwikkeling. Cognitieve zelfcontrole, self management, komt juist het laatst in de rijping van de adolescent en jong volwassene, en bij jongens dan weer wat later dan bij meisjes. Dat kun je niet afdwingen, je kunt het wél helpen ontwikkelen. Sociaal-emotionele ontwikkeling (‘sociale vaardigheden’) komt niet in plaats van cognitieve ontwikkeling en kennisverwerving. Kennis is nodig, maar kennis van eigen motieven en goed zelfbeheer is nodig voor de motivatie om zich kennis ook echt na te streven en eigen te maken
3.3 Sekse-rollen zijn ingrijpend veranderd
3.3.1 Vroeger zorgden vrouwen voor huishouden en kinderen, mannen voor inkomen via betaalde arbeid. Gescheiden werelden, gescheiden culturen. Nu is de arbeidsmarkt gelukkig steeds meer open voor vrouwen, hun perspectief verbreedt zich: én kinderen én arbeid, maar daardoor zijn zij vaak dubbel belast. Mannen zijn vaak (in arbeid) eenzijdig óverbelast. In de beeldvorming bij jonge mannen zie je soms de uitroep: “Vrouwen kunnen én werken én kinderen krijgen, maar: What’s my special asset? What’s in it for me?”
Jongens twijfelen over hun rol en krijgen ook lang niet altijd goede voorbeelden van volwassen mannen . Sommigen krijgen het gevoel dat hun perspectief wordt afgepakt en dat zij andere dingen moeten gaan doen dan zij kunnen.
3.3.2 Als vader en moeder beiden werken komt de opvoeding gemakkelijk in de knel als er geen hoogwaardige kindercentra zijn.
(De term kinderopvang is misplaatst; alsof kinderen ‘vallen’ en moeten worden opgevangen. De tijd van de kinderbewaarplaatsen is voorbij. Zeker bij kleiner wordende gezinnen is het een eigen sociaal milieu waarin sociale vaardigheden worden opgedaan en waar wordt opgevoed.)
3.3.3 Jongens worden niet echt goed voorbereid op hun toekomstige sekserol (eerder moraliserend, afdwingend en verwijtend, dan dat zij steun en uitzicht krijgen op een andere ook voor hen meer gepaste taakverdeling)
3.3.4 Het vaderschapsverlof is in Nederland beroerd geregeld. Dat leidt tot minder hechting, waardoor zij minder gemakkelijke hun rol oppakken in opvoeding en zich meer in hun werk opsluiten. E.e.a. leidt tot meer relationele ellende na de 1e bevalling, met als resul-taat o.a. veel echtscheidingen. Jongens reageren hier in de regel scherper op dan meisjes.
3.4 Cultuurverschillen
3.4.1 Voor jongens met een andere dan een westerse culturele achtergrond zijn de veranderingen qua sekserollen extra groot.
3.4.2 Waar ook Nederlandse jongens qua taalontwikkeling iets later zijn dan meisjes (lees: ook qua reflectie, dat is immers deels ‘ talig’ van karakter), speelt dit een extra grote rol bij allochtone jongens.
3.4.3 Achterstanden in onderwijs en sociaal-economische positie kunnen ernstiger effecten opleveren.
3.4.4 Als discriminatie of beeldvorming ook een rol gaat spelen kan dit latente wrok hevig en manifest maken. Bij allochtone jongens zie je dit extra sterk, zij voelen zich beroofd van hun (imaginaire) positie (nadruk op ‘Respect!’). Allochtone meisjes zien en pakken juist meer hun kansen (zij zien grote verbeteringen en eigen perspectieven vgl. met hun thuisculturen. Dit is voor allochtone jongens minder direct zichtbaar)
3.4.5 Ontwikkelingsstoornissen en ‘– storinkjes’ kunnen tenslotte extra sterk voorkomen als er veel binnen een kleine kring wordt getrouwd (zie ook 4.2.4).
3.5 Het Medialandschap is ingrijpend veranderd.
3.5.1 Internet etc. veranderen de scene compleet en bieden een ‘way out’ in een kunstmatige wereld waarin geweld helpt, seks beschikbaar is, en alles via knoppen bereikbaar is, i.p.v. de echte wereld in te gaan, relaties opbouwen, talenten & zwakten ontdekken, leren van fouten, etc.
3.5.2 Jongens en meisjes worden zeer actief bewerkt door reclame (de jeugd vormt een aparte markt, waarop niet alleen een consumptiecultuur maar o.a. ook vroege binding aan merken wordt beoogd)
3.6 Alcohol en drugs zijn massaal beschikbaar gekomen
3.6.1 Bieden zelfmedicatie bij stress en vluchtwegen als de draaglast te hoog wordt of lijkt.
3.6.2 Tasten hersenontwikkeling aan
3.6.3 Zijn duur en creëren een grijze markt die alternatieve (sub)criminele leefstijlen bieden.
4 Achtergronden van de problemen bij veel jongens
Aanleg, gezondheid, (on-)veilige hechting, opvoeding, kinderopvang, onderwijs, media; voorbeelden volwassen mannen, veiligheid, sekse-rol-identificatie, arbeidsmarkt,
4.1 Aanleg (het ruwe materiaal dat we tijdens opvoeding en verdere socialisatie be-werken)
4.1.1 XY is iets ingewikkelder dan XX. Dit stelt jongens en hun opvoeders voor wat hogere eisen
4.1.2 Jongens groeien iets onregelmatiger en doen er iets langer over voor ze zijn volgroeid.
4.1.3 Op sommige terreinen rijpen jongens wat eerder en sneller (o.a. grote motoriek, leren door iets letterlijk mee te maken, experimenteren, fantasie in spel gebruiken, visueel, m.n. grote en verre beelden)
4.1.3.1 Jongens zijn wat beweeglijker (via beweging jezelf in de wereld zetten en die zo leren kennen met alle grenzen van dien)
4.1.3.2 Jongens hebben beduidend grotere impulsiviteit; zijn vaak ook sterk direct gemotiveerd en willen dat onmiddellijk (maar ook onbemiddeld) tot uitdrukking brengen. (Een kleine groep jongens is sterk impulsief, en loopt grotere risico’s. Remedie: van meet af aan waarneembaar, van meet af aan ook trainen).
4.1.3.3 Blijven wat langer in hun grote motoriek (schrijven komt gemiddeld wat later)
4.1.3.4 Sterker visueel
4.1.3.5 Grote fantasie (is ook abstractie vermogen)
4.1.3.6 Jongens leren (vgl. met meisjes) wat meer via trial & error : uitproberen, kijken waar het mis gaat en dáárvan leren
4.1.4 Jongens rijpen daarentegen op een aantal andere gebieden gemiddeld iets trager:
4.1.4.1 Taal, actief en passief, ontwikkelt zich langzamer, evenals de ‘talige’ expressie van hun eigen emoties, gevoelens, fantasieën. Inner speech is ook reflectie, dit komt wat langzamer op gang en is voor hen met name lastiger om te communiceren.
4.1.4.2 Verbinding tussen emoties, gevoelens en taal. (Zo komt stotteren en ‘broddelen’ bij jongens veel meer voor; dit is overigens ook uitdrukking van stress – spanning op de spreekspieren en ademhaling – waardoor spreken wordt gehinderd of ze willen teveel tegelijk zeggen en kunnen dat nog niet goed ordenen).
4.1.5 Jongens staan daarom – vgl. met meisjes – voor specifieke eigen ontwikkelingsopgaven:
4.1.5.1 Meer bewuste self assessment, zelfsturing
4.1.5.2 Planning
4.1.5.3 Impulscontrole
4.1.5.4 Fijne motoriek (schrijven!)
4.1.6 Onderwijs moet daarmee rekening houden en er ook productief op inspelen (niet afdwingen, maar met voldoende grenzen en ruimte tot ontwikkeling brengen).
4.1.7 Er is een (kleine?) groep jongens die minder in het beeld van impulsief en bewegelijk gedrag passen; zij zijn vaak meer cognitief georiënteerd, worden vaak ondergewaardeerd (de ‘nerds’), worden gemakkelijk uitgestoten door de anderen en door leerkrachten te weinig gezien en gestimuleerd.
4.2 Gezondheid
4.2.1 Er zijn iets meer zwangerschapscomplicaties bij, en er is meer perinatale sterfte van jon-gens.
4.2.2 Tot 10 jaar hebben jongens meer (en vaak ook wat heviger)kinderziekten. Het Y-chromo-soom maakt dat zij geen meisje blijven maar jongetje worden, dat gaat met wat meer onregelmatigheden gepaard). Hun afweersysteem is zeker de eerste jaren wat zwakker.
4.2.3 Veiligheid: jongens hebben meer kleinere en grotere ongelukken. Remedie: in de gaten houden, maar géén ontwikkelingsruimte afpakken.
4.2.4 Bij jongens treden wat meer ontwikkelingsstoringen op vooral in het autistische spec-trum en qua impulsiviteit & ‘energiebeheer’. Dit dient serieus te worden genomen maar oppassen voor onterecht, overmatig of te vroeg labelen. Jongens hebben immers ook de eerste jaren ook iets meer kleinere ‘ontwikkelingsstorinkjes’ (“XY moet nog stabiliseren”). Deze zijn niet erg, ‘horen erbij’, gaan over; vooral drukkere jongens ‘moeten leren hun eigen paard te berijden’ (Remedie: Iets meer aandacht, contact (!), duidelijke grenzen mét ontwikkelingsruimte, meer korte feedback).
Niet overal autisme, ADHD e.d. van maken, maar áls het deskundig is gediagnosticeerd moet men er wel wat mee doen, en dan wel graag vroeg!
4.3 Vroege hechting en sekse rol identificatie
4.3.1 Jongens hebben reeds vanaf de geboorte iets meer moeite met zich te hechten aan iemand (dit is al zichtbaar in het al dan niet blijven aankijken van de moeder, jongens kijken al vroeg meer naar voorwerpen en de ruimte in).
4.3.2 Jongens reageren veel scherper op wisseling van leidsters in kinderdagverblijven.
4.3.3 Jongens ontwikkelen gemakkelijker ‘onveilig gehecht gedrag’. De daardoor ontstane preoccupatie met veiligheid (en controle) wordt maar al te vaak als ‘egoïsme’ gelabeld en past zo in een digotoom man-vrouw-beeld en strijd over emancipatie.
4.3.4 Er zijn weinig nabije mannelijke voorbeelden. (Jongens zijn a.h.w. meer ‘niet-vrouw’ dan ‘wel-man’). Media e.d. vullen e.e.a. vaak karikaturaal in. Jongens kampen met veel kleinere en grotere identiteitsproblemen (‘Tussen branie en verlegenheid’)
4.3.5 Reageren in de regel scherper op echtscheiding m.n. tussen 7 en 11 en op een instabiel of tekortschietend thuismilieu.
4.4 Opvoeding
4.4.1 Is nog vnl. in handen van vrouwen; doen het vaak prima, maar hebben iets minder zicht op, en feeling voor de eigen aardigheden, kwaliteiten, beweeglust en nog te ontwikkelen vaardigheden van jongetjes/jongens.
4.4.2 Vrouwen hebben vaak last van jongens, maar noemen hén lastig. (Lastig is geen eigen-schap maar beschrijft een taak voor opvoeders). Na lang proberen te gehoorzamen slui-ten sommige jongens zich af, dit leidt gemakkelijk tot een vicieuze cirkel.
4.4.3 E.e.a. komt in de puberteit vaak tot heftige uitbarstingen (zwakke identiteit biedt weinig basis voor goed zelf management).
4.5 Kinderopvang
4.5.1 Hier werken bijna uitsluitend vrouwen, zij doen erg hun best, maar zijn meer ’talig’, ge-bruiken meer mimiek, fijne motoriek, er zit in hun taal ook veel ‘tussen de regels’, ze zijn wat ordelijker, gespinsd op al wat gevaarlijk zou kúnnen worden, hebben net als meisjes een langere aandachtsboog. Zij hebben veelal niet genoeg zicht op jongens en wat díe nodig hebben: ruimte, beweging, uitdaging, beetje gevaar, kortere taakjes en die langzaam langer en complexer laten worden, stukje bij beetje meer verantwoordelijkheid geven , niet te veel ,en leren van wat er dan gebeurt.
4.6 Onderwijs
4.6.1 Eind PO: jongens bij CITO-toets soms iets hoger dan meisjes, maar… meer jongens met ‘rugzakjes’, meer jongens doen geen CITO-toets (o.a. naar speciaal onderwijs, véél meer jongens dan meisjes)
4.6.2 PO: Erg veel taal, minder ruimte voor grote motoriek, te weinig ruimte voor beweging, experiment, ‘hanteerbaar gevaar’ (daar leren jongens erg veel van); spanning, uitdaging.
4.6.3 PO: Veel vrouwen, minder zicht op die kwaliteiten waar juist jongens goed in zijn, meer ongeduld met jongens. Meer aandacht gaat naar jongens, maar veel vaker negatief.
4.6.4 Grote studie uitval, ‘6-jes cultuur’ bij veel jongens die wel op school blijven.
4.6.5 Het studiehuis vraagt planningsvaardigheden die jongens vaak pas later ontwikkelen of alleen dán als de intrinsieke motivatie sterker is. (Meisjes gehoorzamen meer, en trekken daarachter hun eigen plan)
4.7 Media, Internet
4.7.1 Gaming, internet, -tig zenders, e.d. bieden idem zoveel uitwegen en een kunstmatige wereld waarin je je niet ‘real’ met anderen hoeft te engageren.
4.7.2 Presenteren veelal een fake-wereld waarin seks (wat voor…?!) en geweld een grote rol spelen (in veel films los je met geweld iets op; de werkelijkheid is een stuk weerbarsti-ger)
4.8 Voorbeelden van volwassen mannen
4.8.1 Veel bluf, uiterlijk vertoon.
4.8.2 Veel compensatiegedrag voor onvrede.
4.8.3 Gedonder rond aandelen, banken, zelfverrijking, korte termijn belangen.
4.8.4 Weinig aandacht voor zorg, opvoeding en toekomst voor hun kinderen.
4.8.5 Zij bieden aan jongens weinig ‘nabije’ identificatie
4.9 Veiligheid
4.9.1 Veel (niet alle!) jongens met een laag of zwak zelfbeeld en laag self-managment leggen moeizaam constructieve relaties en neigen ertoe problemen naar buiten af te reageren (‘externaliseren’). Dit kan gemakkelijk destructieve agressie worden (in plaats van con-structieve agressie). Meisjes worden eerder verborgen agressief (taal, mimiek, gedrag), voelen zich eerder hulpeloos, afhankelijk en trekken zich gemiddeld eerder in zichzelf terug (‘internaliseren). Hierbij kan ontstane boosheid en wrok zich tegen hen zelf kan keren (i.h. uiterste geval: snijden; complexer: zelfmutilatie via slecht lichaamsbeeld: extreem vermageren e.d.) of zij worden hierdoor gemakkelijk slachtoffer van anderen (vgl. extreem: loverboys)
4.9.2 Meisjes komen bij problemen eerder terecht in de gezondheidszorg en hulpverlening(taal! lijken meer ‘handelbaar’, maar ook meer ‘vrouwelijke sector’). Jongens worden bij problemen gestraft, opgepakt, komen in handen van politie/justitie. Straffen werkt echter vaak averechts, laag zelfbeeld wordt versterkt, meer stress en opbouw van wrok. Gevangenis fungeert dan vaak als beroepsopleiding van criminaliteit. 90% van jongens die zijn ‘afgestraft’ (hele procedure doorlopen) heeft psychische problemen die vaak eerder werden gesignaleerd maar niet zijn aangepakt/behandeld.
4.9.3 Seksuele agressie tegen jongens wordt zwaar ondergerapporteerd (jongens zwijgen hier over; reële getallen zijn niet bekend). Jongens spréken sowieso minder over negatieve ervaringen (schelden er meer op), vertalen dat eerder in kwaad gedrag (of trekken zich terug of ontwikkelen destructieve coping stijlen).
5 Remedies
Er kan veel aan bestaande problemen worden gedaan, er zijn goede programma´s en aanzetten daartoe beschikbaar, maar dat moet echter wel worden ópgepakt… NL loopt soms echt achter
5.1 Meer mannen in de opvoeding, te beginnen bij langer verlof voor jonge vaders (elementaire hechting is basis voor latere opvoeding, zorg, ontlasting van de moeder, eigen rol, e.d.) maar ook in peuterspeelzalen, KDV, BSO (sport!) en opvoedingsondersteuning.
5.2 Meer mannen in primair onderwijs (sekserol-identificatie, voorbeelden, vaak andere stijl)
5.3 De PABO’s moeten echt meer aandacht gaan besteden aan sekseverschillen en die niet weg relativeren zoals nu nog vaak gebeurt
5.4 PABO’s moeten meer mannelijke studenten aantrekken en ook binnen houden door een ook voor hen aantrekkelijk aanbod.
5.5 Scholing van personeel in kindervoorzieningen, Primair Onderwijs en VMBO/VO in de verschillende manieren waarop jongens en meisjes opgroeien en leren.
5.6 Mét jongens uitzoeken wat voor hen werkelijk betekenis, zin heeft, en aansluiting zoeken bij anderen, verbindingen maken (ook buiten internet en games, maar in de wérkelijke wereld).
5.7 Geen terugval naar vroeger (domweg meer structuur, minder reflectie, vrouwen half achter de aanrecht, mannen vooral hun carrière) maar na vrouwenemancipatie nu ook stappen voorwaarts voor jongens/mannen: gedeelde arbeid en zorg (voor jezelf, elkaar, volgende generatie en de wereld)
5.8 Meer beweging! Een werkelijk uitstekend voorbeeld is het programma Rots&Water: een psycho-fysieke methodiek, waarbij vanuit beweging wordt gewerkt aan mentale en sociale vaardigheden. Dit is een in Nederland ontwikkeld programma dat nota bene in het bui-tenland veel meer toepassing vindt (omdat hier in NL nieuwe programma’s die ook eisen aan opleiding en training stellen minder gemakkelijk de scholen binnenkomen)
5.9 Een ander concreet voorbeeld: een nieuw type rij opleiding (momenteel ben ik verbonden aan het Europese HERMES programma waarbij we met jongeren, vooral ook jongens, via een specifiek soort coaching i.p.v. instructie, uitzoeken wat veilig rijden inhoudt.
5.10 En zo is er nog heel veel meer mogelijk. Dit hoeft niet eens meer te kosten. Natuurlijk moet er aanvankelijk wel worden geïnvesteerd, maar er komt zoveel energie en geld vrij als we de energie van jongens en hun specifieke ontwikkelingsopgaven beter begrijpen. Er gaat nu veel talent verloren, en veel geld in de oplossing of bestrijding van problemen die te lang konden uitgroeien. Er wordt veel geïnvesteerd in het onder de duim te houden of gevangen zetten van jongens die destructief zijn geworden. (Één jaar opname in een gesloten inrichting of intensieve jeugdzorg kost €150.000 tot 200.000, en het gaat dan echt om duizenden jongens. Als we maar een déél daarvan in een vroeger stadium signaleren, en goed behandelen, gewoon goed afgestemd onderwijs en opvoedingsondersteuning voor de ouders….. )
Alle items vragen natuurlijk stuk voor stuk om nader uitwerking, precisering en nuancering. (Zie o.a. www.laukwoltring.nl met ook vele links naar anderen)
Lauk Woltring,
Werken met jongens. Innovatie, advies, training en coaching
Maart 2010
Lauk Woltring/Werken met jongens; n.a.v. de lezing op de OMJS-conferentie op 17 maart 2010
(Oorspronkelijk quick scan t.b.v. NOS-Radio 1 Journaal 30-11-‘09 (bij CBS-Jeugdmonitor 2009)
1 Inleiding
De CBS-jeugdmonitor 2009 toont dat het met meisjes op veel terreinen beter gaat dan met jongens. Het gaat gemiddeld met jongens minder goed. Denk aan onderwijsuitval, lagere scores in VO, HBO en Universiteit, ´rugzakjes´, speciaal onderwijs, jeugdwerkeloosheid, drank, drugs, verkeer, ´kleine´criminaliteit, destructief gedrag, relationele problemen en suïcide.
Geen problemen maken waar ze niet zijn. Sommige jongens komen prima uit de verf, velen blijven echter ónder hun mogelijkheden, ontwikkelen zich eenzijdig en een wat kleinere groep komt echt in de problemen. En sommigen daarvan richten ook grote problemen áán.
Goed dat we niet meer ongedifferentieerd praten over jongeren in het algemeen. Naast andere dimensies (stad/platteland, autochtoon/allochtoon, sociaal economische status, opleiding ouders, etc.) is er bij veel items ook een seksespecifieke dimensie aanwijsbaar.
We hebben het dan wel over gemiddelden met grote overlaps. Reduceer kinderen niet tot hun sekse, ieder kind is anders, maar het gemiddelde beeld is inderdaad voor jongens op veel terrei-nen minder positief. Het gaat er om dat beleidsmakers, docenten en andere begeleiders feeling ontwikkelen voor sekseverschillen in aanleg, rijping, omgevingsinvloeden en de manieren waarop jongens en meisjes bijvoorbeeld leren of stress hanteren, en daar op in spelen.
Datgene waar juist jongens vaak góed in zijn (grote motoriek, uitproberen, experimen-teerdrang, onderzoeken, beweging, fantasie) wordt vaak als lastig ervaren door volwassenen die er niet goed op weten te reageren. Deze kwaliteiten komen in opvoeding en onderwijs min-der in beeld, komen buiten sport, uitgaansleven, media en internet minder aan bod en komen ook op de arbeidsmarkt minder uit de verf. Dit kan zich uiteindelijk tégen de maatschappij keren (‘Use it or loose it’, verloren talenten, maar ook in de vorm van energie die de vorm van agressie aanneemt en tot grote kostenposten leidt: politie, justitie, jeugdhulpverlening, werkeloosheid, dure bijscholing, langere schoolduur, etc.)
2 Oorzaken?
De situatie en perspectieven voor jongens en meisjes zijn in de afgelopen decennia ingrijpend veranderd.
Er is niet één oorzaak van voorkomende problemen. Het gaat om de interactie tussen veranderingen in de omgeving en dat wat qua aanleg gegeven is. In die interactie zit een sek-sespecifieke dimensie. Problemen ontstaan niet op een bepaalde leeftijd, maar ontwikkelen zich vanaf de geboorte, eerst latent, dan manifest. Het vliegwiel begint al vroeg de verkeerde kant uit te draaien en krijgt soms een tikje de verkeerde kant uit in plaats van de goede kant op.
De meeste problemen bij jongens worden rond 10-12 jaar manifest – als de hormonen gaan stromen, alcohol, drugs en internet meer binnen bereik komen, de afstand tot thuis groeit, de peergroup (met dezelfde problemen) belangrijker wordt en tegelijk de eisen van school en maatschappij groter worden. Veel jongens zijn daar niet adequaat op voorbereid. Niet qua innerlijke ontwikkeling en niet qua benodigde vaardigheden.
3 Veranderingen vroeger – nu:
Onderwijs, arbeidsmarkt, sekserollen, cultuurverschillen, medialandschap, alcohol/drugs
3.1 De Arbeid(-smarkt) is sinds de jaren ’50-’60 ingrijpend veranderd
3.1.1 Er is minder zware fysieke arbeid (deze traditioneel vooral mannelijke arbeid verdwijnt: sjouwen, mijnbouw, visserij, landbouw, industrie) en maakt plaats voor meer meer dienstverlening en high tech.
3.1.2 Meer automatisering en complexe techniek vraagt om afstemming, fijnere motoriek, communicatie en zorgvuldige planning. Gevolgen van fouten zijn groter en kostbaarder.
3.1.3 Er is meer verbale communicatie, anticipatie en planning vereist.
3.1.4 Er wordt meer autonomie en zelfmanagement gevraagd (o.a. impulscontrole)
Jongens kúnnen dat allemaal best leren, maar dat gaat niet vanzelf. Daarvoor moet je hun kwaliteiten, dat waar juist zij goed in zijn, en hun dilemma’s, hun ontwikkelingsopgaven, ook goed begrijpen om van daaruit ook andere zaken tot ontwikkeling te brengen.
3.2 Het Onderwijs is ingrijpend veranderd (zonder voldoende acht te slaan op wat dat van jóngens vraagt)
3.2.1 Er staan minder mannen voor de klas (PO). Zo is er weinig sekserol-identificatie. Dit beïn-vloedt ook de didactiek: mannen hanteren veelal een andere stijl dan vrouwen (bijv. tot uitdrukking komend in taal, risicoacceptatie, andere humor).
3.2.2 Meer nadruk op ‘talige’ ontwikkeling (voor jongens vaak iets te vroeg in hun ontwikke-ling)
3.2.3 Minder grote motoriek (minder bevoegd gegeven lessen L.O.; minder uitdagende L.O.)
3.2.4 Weinig ruimte voor aanvaardbare risico’s (waar jongens juist veel van leren)
3.2.5 Meer nadruk op eigen planning (voor veel jongens telkens iets te vroeg)
3.2.6 Lagere tolerantie voor experimenterend gedrag in en om de school (met natuurlijk wel duidelijke grenzen: te weinig grenzen leidt chaos; teveel grenzen leidt tot rebellie of wrok en zich terugtrekken)
3.2.7 In het kader van vrouwenemancipatie is er – volkomen terecht! – gekeken naar hoe meisjes zich ontwikkelen. Weinig wetenschappers hebben zich echter bekommerd om de veranderde positie van en ontwikkeling van jongens. (Vgl. ook de emancipatiemonitor).
3.2.8 Men kan zich echter afvragen of er niet een verborgen ‘vrouwelijk’ format is ontstaan (talig, planning, gehoorzaam, fijne motoriek). Niet of nauwelijks bewust maar als resultante van een aantal onderwijshervormingen en arbeidsmarktbewegingen in de onderwijssector en tekortschietende interesse voor, of ergernis over jongens, en een enkele keer zelfs nauwelijks verhuld triomfantalisme
3.2.9 Te vroeg te hoge verwachtingen. (Vgl. competentiegericht onderwijs, studiehuis)
Een houding van “Ze zouden inmiddels toch moeten weten of kunnen, …. “ e.d. komt vaak in plaats van nieuwsgierigheid: “Weten ze al echt dat…, Kúnnen ze al…?)” . Het weten, de cognitieve ontwikkeling is vanaf 11 jaar al potentieel zeer hoog, maar wordt in de adolescentie vaak overruled door hormonale en sociaal-emotionele ontwikkeling. Cognitieve zelfcontrole, self management, komt juist het laatst in de rijping van de adolescent en jong volwassene, en bij jongens dan weer wat later dan bij meisjes. Dat kun je niet afdwingen, je kunt het wél helpen ontwikkelen. Sociaal-emotionele ontwikkeling (‘sociale vaardigheden’) komt niet in plaats van cognitieve ontwikkeling en kennisverwerving. Kennis is nodig, maar kennis van eigen motieven en goed zelfbeheer is nodig voor de motivatie om zich kennis ook echt na te streven en eigen te maken
3.3 Sekse-rollen zijn ingrijpend veranderd
3.3.1 Vroeger zorgden vrouwen voor huishouden en kinderen, mannen voor inkomen via betaalde arbeid. Gescheiden werelden, gescheiden culturen. Nu is de arbeidsmarkt gelukkig steeds meer open voor vrouwen, hun perspectief verbreedt zich: én kinderen én arbeid, maar daardoor zijn zij vaak dubbel belast. Mannen zijn vaak (in arbeid) eenzijdig óverbelast. In de beeldvorming bij jonge mannen zie je soms de uitroep: “Vrouwen kunnen én werken én kinderen krijgen, maar: What’s my special asset? What’s in it for me?”
Jongens twijfelen over hun rol en krijgen ook lang niet altijd goede voorbeelden van volwassen mannen . Sommigen krijgen het gevoel dat hun perspectief wordt afgepakt en dat zij andere dingen moeten gaan doen dan zij kunnen.
3.3.2 Als vader en moeder beiden werken komt de opvoeding gemakkelijk in de knel als er geen hoogwaardige kindercentra zijn.
(De term kinderopvang is misplaatst; alsof kinderen ‘vallen’ en moeten worden opgevangen. De tijd van de kinderbewaarplaatsen is voorbij. Zeker bij kleiner wordende gezinnen is het een eigen sociaal milieu waarin sociale vaardigheden worden opgedaan en waar wordt opgevoed.)
3.3.3 Jongens worden niet echt goed voorbereid op hun toekomstige sekserol (eerder moraliserend, afdwingend en verwijtend, dan dat zij steun en uitzicht krijgen op een andere ook voor hen meer gepaste taakverdeling)
3.3.4 Het vaderschapsverlof is in Nederland beroerd geregeld. Dat leidt tot minder hechting, waardoor zij minder gemakkelijke hun rol oppakken in opvoeding en zich meer in hun werk opsluiten. E.e.a. leidt tot meer relationele ellende na de 1e bevalling, met als resul-taat o.a. veel echtscheidingen. Jongens reageren hier in de regel scherper op dan meisjes.
3.4 Cultuurverschillen
3.4.1 Voor jongens met een andere dan een westerse culturele achtergrond zijn de veranderingen qua sekserollen extra groot.
3.4.2 Waar ook Nederlandse jongens qua taalontwikkeling iets later zijn dan meisjes (lees: ook qua reflectie, dat is immers deels ‘ talig’ van karakter), speelt dit een extra grote rol bij allochtone jongens.
3.4.3 Achterstanden in onderwijs en sociaal-economische positie kunnen ernstiger effecten opleveren.
3.4.4 Als discriminatie of beeldvorming ook een rol gaat spelen kan dit latente wrok hevig en manifest maken. Bij allochtone jongens zie je dit extra sterk, zij voelen zich beroofd van hun (imaginaire) positie (nadruk op ‘Respect!’). Allochtone meisjes zien en pakken juist meer hun kansen (zij zien grote verbeteringen en eigen perspectieven vgl. met hun thuisculturen. Dit is voor allochtone jongens minder direct zichtbaar)
3.4.5 Ontwikkelingsstoornissen en ‘– storinkjes’ kunnen tenslotte extra sterk voorkomen als er veel binnen een kleine kring wordt getrouwd (zie ook 4.2.4).
3.5 Het Medialandschap is ingrijpend veranderd.
3.5.1 Internet etc. veranderen de scene compleet en bieden een ‘way out’ in een kunstmatige wereld waarin geweld helpt, seks beschikbaar is, en alles via knoppen bereikbaar is, i.p.v. de echte wereld in te gaan, relaties opbouwen, talenten & zwakten ontdekken, leren van fouten, etc.
3.5.2 Jongens en meisjes worden zeer actief bewerkt door reclame (de jeugd vormt een aparte markt, waarop niet alleen een consumptiecultuur maar o.a. ook vroege binding aan merken wordt beoogd)
3.6 Alcohol en drugs zijn massaal beschikbaar gekomen
3.6.1 Bieden zelfmedicatie bij stress en vluchtwegen als de draaglast te hoog wordt of lijkt.
3.6.2 Tasten hersenontwikkeling aan
3.6.3 Zijn duur en creëren een grijze markt die alternatieve (sub)criminele leefstijlen bieden.
4 Achtergronden van de problemen bij veel jongens
Aanleg, gezondheid, (on-)veilige hechting, opvoeding, kinderopvang, onderwijs, media; voorbeelden volwassen mannen, veiligheid, sekse-rol-identificatie, arbeidsmarkt,
4.1 Aanleg (het ruwe materiaal dat we tijdens opvoeding en verdere socialisatie be-werken)
4.1.1 XY is iets ingewikkelder dan XX. Dit stelt jongens en hun opvoeders voor wat hogere eisen
4.1.2 Jongens groeien iets onregelmatiger en doen er iets langer over voor ze zijn volgroeid.
4.1.3 Op sommige terreinen rijpen jongens wat eerder en sneller (o.a. grote motoriek, leren door iets letterlijk mee te maken, experimenteren, fantasie in spel gebruiken, visueel, m.n. grote en verre beelden)
4.1.3.1 Jongens zijn wat beweeglijker (via beweging jezelf in de wereld zetten en die zo leren kennen met alle grenzen van dien)
4.1.3.2 Jongens hebben beduidend grotere impulsiviteit; zijn vaak ook sterk direct gemotiveerd en willen dat onmiddellijk (maar ook onbemiddeld) tot uitdrukking brengen. (Een kleine groep jongens is sterk impulsief, en loopt grotere risico’s. Remedie: van meet af aan waarneembaar, van meet af aan ook trainen).
4.1.3.3 Blijven wat langer in hun grote motoriek (schrijven komt gemiddeld wat later)
4.1.3.4 Sterker visueel
4.1.3.5 Grote fantasie (is ook abstractie vermogen)
4.1.3.6 Jongens leren (vgl. met meisjes) wat meer via trial & error : uitproberen, kijken waar het mis gaat en dáárvan leren
4.1.4 Jongens rijpen daarentegen op een aantal andere gebieden gemiddeld iets trager:
4.1.4.1 Taal, actief en passief, ontwikkelt zich langzamer, evenals de ‘talige’ expressie van hun eigen emoties, gevoelens, fantasieën. Inner speech is ook reflectie, dit komt wat langzamer op gang en is voor hen met name lastiger om te communiceren.
4.1.4.2 Verbinding tussen emoties, gevoelens en taal. (Zo komt stotteren en ‘broddelen’ bij jongens veel meer voor; dit is overigens ook uitdrukking van stress – spanning op de spreekspieren en ademhaling – waardoor spreken wordt gehinderd of ze willen teveel tegelijk zeggen en kunnen dat nog niet goed ordenen).
4.1.5 Jongens staan daarom – vgl. met meisjes – voor specifieke eigen ontwikkelingsopgaven:
4.1.5.1 Meer bewuste self assessment, zelfsturing
4.1.5.2 Planning
4.1.5.3 Impulscontrole
4.1.5.4 Fijne motoriek (schrijven!)
4.1.6 Onderwijs moet daarmee rekening houden en er ook productief op inspelen (niet afdwingen, maar met voldoende grenzen en ruimte tot ontwikkeling brengen).
4.1.7 Er is een (kleine?) groep jongens die minder in het beeld van impulsief en bewegelijk gedrag passen; zij zijn vaak meer cognitief georiënteerd, worden vaak ondergewaardeerd (de ‘nerds’), worden gemakkelijk uitgestoten door de anderen en door leerkrachten te weinig gezien en gestimuleerd.
4.2 Gezondheid
4.2.1 Er zijn iets meer zwangerschapscomplicaties bij, en er is meer perinatale sterfte van jon-gens.
4.2.2 Tot 10 jaar hebben jongens meer (en vaak ook wat heviger)kinderziekten. Het Y-chromo-soom maakt dat zij geen meisje blijven maar jongetje worden, dat gaat met wat meer onregelmatigheden gepaard). Hun afweersysteem is zeker de eerste jaren wat zwakker.
4.2.3 Veiligheid: jongens hebben meer kleinere en grotere ongelukken. Remedie: in de gaten houden, maar géén ontwikkelingsruimte afpakken.
4.2.4 Bij jongens treden wat meer ontwikkelingsstoringen op vooral in het autistische spec-trum en qua impulsiviteit & ‘energiebeheer’. Dit dient serieus te worden genomen maar oppassen voor onterecht, overmatig of te vroeg labelen. Jongens hebben immers ook de eerste jaren ook iets meer kleinere ‘ontwikkelingsstorinkjes’ (“XY moet nog stabiliseren”). Deze zijn niet erg, ‘horen erbij’, gaan over; vooral drukkere jongens ‘moeten leren hun eigen paard te berijden’ (Remedie: Iets meer aandacht, contact (!), duidelijke grenzen mét ontwikkelingsruimte, meer korte feedback).
Niet overal autisme, ADHD e.d. van maken, maar áls het deskundig is gediagnosticeerd moet men er wel wat mee doen, en dan wel graag vroeg!
4.3 Vroege hechting en sekse rol identificatie
4.3.1 Jongens hebben reeds vanaf de geboorte iets meer moeite met zich te hechten aan iemand (dit is al zichtbaar in het al dan niet blijven aankijken van de moeder, jongens kijken al vroeg meer naar voorwerpen en de ruimte in).
4.3.2 Jongens reageren veel scherper op wisseling van leidsters in kinderdagverblijven.
4.3.3 Jongens ontwikkelen gemakkelijker ‘onveilig gehecht gedrag’. De daardoor ontstane preoccupatie met veiligheid (en controle) wordt maar al te vaak als ‘egoïsme’ gelabeld en past zo in een digotoom man-vrouw-beeld en strijd over emancipatie.
4.3.4 Er zijn weinig nabije mannelijke voorbeelden. (Jongens zijn a.h.w. meer ‘niet-vrouw’ dan ‘wel-man’). Media e.d. vullen e.e.a. vaak karikaturaal in. Jongens kampen met veel kleinere en grotere identiteitsproblemen (‘Tussen branie en verlegenheid’)
4.3.5 Reageren in de regel scherper op echtscheiding m.n. tussen 7 en 11 en op een instabiel of tekortschietend thuismilieu.
4.4 Opvoeding
4.4.1 Is nog vnl. in handen van vrouwen; doen het vaak prima, maar hebben iets minder zicht op, en feeling voor de eigen aardigheden, kwaliteiten, beweeglust en nog te ontwikkelen vaardigheden van jongetjes/jongens.
4.4.2 Vrouwen hebben vaak last van jongens, maar noemen hén lastig. (Lastig is geen eigen-schap maar beschrijft een taak voor opvoeders). Na lang proberen te gehoorzamen slui-ten sommige jongens zich af, dit leidt gemakkelijk tot een vicieuze cirkel.
4.4.3 E.e.a. komt in de puberteit vaak tot heftige uitbarstingen (zwakke identiteit biedt weinig basis voor goed zelf management).
4.5 Kinderopvang
4.5.1 Hier werken bijna uitsluitend vrouwen, zij doen erg hun best, maar zijn meer ’talig’, ge-bruiken meer mimiek, fijne motoriek, er zit in hun taal ook veel ‘tussen de regels’, ze zijn wat ordelijker, gespinsd op al wat gevaarlijk zou kúnnen worden, hebben net als meisjes een langere aandachtsboog. Zij hebben veelal niet genoeg zicht op jongens en wat díe nodig hebben: ruimte, beweging, uitdaging, beetje gevaar, kortere taakjes en die langzaam langer en complexer laten worden, stukje bij beetje meer verantwoordelijkheid geven , niet te veel ,en leren van wat er dan gebeurt.
4.6 Onderwijs
4.6.1 Eind PO: jongens bij CITO-toets soms iets hoger dan meisjes, maar… meer jongens met ‘rugzakjes’, meer jongens doen geen CITO-toets (o.a. naar speciaal onderwijs, véél meer jongens dan meisjes)
4.6.2 PO: Erg veel taal, minder ruimte voor grote motoriek, te weinig ruimte voor beweging, experiment, ‘hanteerbaar gevaar’ (daar leren jongens erg veel van); spanning, uitdaging.
4.6.3 PO: Veel vrouwen, minder zicht op die kwaliteiten waar juist jongens goed in zijn, meer ongeduld met jongens. Meer aandacht gaat naar jongens, maar veel vaker negatief.
4.6.4 Grote studie uitval, ‘6-jes cultuur’ bij veel jongens die wel op school blijven.
4.6.5 Het studiehuis vraagt planningsvaardigheden die jongens vaak pas later ontwikkelen of alleen dán als de intrinsieke motivatie sterker is. (Meisjes gehoorzamen meer, en trekken daarachter hun eigen plan)
4.7 Media, Internet
4.7.1 Gaming, internet, -tig zenders, e.d. bieden idem zoveel uitwegen en een kunstmatige wereld waarin je je niet ‘real’ met anderen hoeft te engageren.
4.7.2 Presenteren veelal een fake-wereld waarin seks (wat voor…?!) en geweld een grote rol spelen (in veel films los je met geweld iets op; de werkelijkheid is een stuk weerbarsti-ger)
4.8 Voorbeelden van volwassen mannen
4.8.1 Veel bluf, uiterlijk vertoon.
4.8.2 Veel compensatiegedrag voor onvrede.
4.8.3 Gedonder rond aandelen, banken, zelfverrijking, korte termijn belangen.
4.8.4 Weinig aandacht voor zorg, opvoeding en toekomst voor hun kinderen.
4.8.5 Zij bieden aan jongens weinig ‘nabije’ identificatie
4.9 Veiligheid
4.9.1 Veel (niet alle!) jongens met een laag of zwak zelfbeeld en laag self-managment leggen moeizaam constructieve relaties en neigen ertoe problemen naar buiten af te reageren (‘externaliseren’). Dit kan gemakkelijk destructieve agressie worden (in plaats van con-structieve agressie). Meisjes worden eerder verborgen agressief (taal, mimiek, gedrag), voelen zich eerder hulpeloos, afhankelijk en trekken zich gemiddeld eerder in zichzelf terug (‘internaliseren). Hierbij kan ontstane boosheid en wrok zich tegen hen zelf kan keren (i.h. uiterste geval: snijden; complexer: zelfmutilatie via slecht lichaamsbeeld: extreem vermageren e.d.) of zij worden hierdoor gemakkelijk slachtoffer van anderen (vgl. extreem: loverboys)
4.9.2 Meisjes komen bij problemen eerder terecht in de gezondheidszorg en hulpverlening(taal! lijken meer ‘handelbaar’, maar ook meer ‘vrouwelijke sector’). Jongens worden bij problemen gestraft, opgepakt, komen in handen van politie/justitie. Straffen werkt echter vaak averechts, laag zelfbeeld wordt versterkt, meer stress en opbouw van wrok. Gevangenis fungeert dan vaak als beroepsopleiding van criminaliteit. 90% van jongens die zijn ‘afgestraft’ (hele procedure doorlopen) heeft psychische problemen die vaak eerder werden gesignaleerd maar niet zijn aangepakt/behandeld.
4.9.3 Seksuele agressie tegen jongens wordt zwaar ondergerapporteerd (jongens zwijgen hier over; reële getallen zijn niet bekend). Jongens spréken sowieso minder over negatieve ervaringen (schelden er meer op), vertalen dat eerder in kwaad gedrag (of trekken zich terug of ontwikkelen destructieve coping stijlen).
5 Remedies
Er kan veel aan bestaande problemen worden gedaan, er zijn goede programma´s en aanzetten daartoe beschikbaar, maar dat moet echter wel worden ópgepakt… NL loopt soms echt achter
5.1 Meer mannen in de opvoeding, te beginnen bij langer verlof voor jonge vaders (elementaire hechting is basis voor latere opvoeding, zorg, ontlasting van de moeder, eigen rol, e.d.) maar ook in peuterspeelzalen, KDV, BSO (sport!) en opvoedingsondersteuning.
5.2 Meer mannen in primair onderwijs (sekserol-identificatie, voorbeelden, vaak andere stijl)
5.3 De PABO’s moeten echt meer aandacht gaan besteden aan sekseverschillen en die niet weg relativeren zoals nu nog vaak gebeurt
5.4 PABO’s moeten meer mannelijke studenten aantrekken en ook binnen houden door een ook voor hen aantrekkelijk aanbod.
5.5 Scholing van personeel in kindervoorzieningen, Primair Onderwijs en VMBO/VO in de verschillende manieren waarop jongens en meisjes opgroeien en leren.
5.6 Mét jongens uitzoeken wat voor hen werkelijk betekenis, zin heeft, en aansluiting zoeken bij anderen, verbindingen maken (ook buiten internet en games, maar in de wérkelijke wereld).
5.7 Geen terugval naar vroeger (domweg meer structuur, minder reflectie, vrouwen half achter de aanrecht, mannen vooral hun carrière) maar na vrouwenemancipatie nu ook stappen voorwaarts voor jongens/mannen: gedeelde arbeid en zorg (voor jezelf, elkaar, volgende generatie en de wereld)
5.8 Meer beweging! Een werkelijk uitstekend voorbeeld is het programma Rots&Water: een psycho-fysieke methodiek, waarbij vanuit beweging wordt gewerkt aan mentale en sociale vaardigheden. Dit is een in Nederland ontwikkeld programma dat nota bene in het bui-tenland veel meer toepassing vindt (omdat hier in NL nieuwe programma’s die ook eisen aan opleiding en training stellen minder gemakkelijk de scholen binnenkomen)
5.9 Een ander concreet voorbeeld: een nieuw type rij opleiding (momenteel ben ik verbonden aan het Europese HERMES programma waarbij we met jongeren, vooral ook jongens, via een specifiek soort coaching i.p.v. instructie, uitzoeken wat veilig rijden inhoudt.
5.10 En zo is er nog heel veel meer mogelijk. Dit hoeft niet eens meer te kosten. Natuurlijk moet er aanvankelijk wel worden geïnvesteerd, maar er komt zoveel energie en geld vrij als we de energie van jongens en hun specifieke ontwikkelingsopgaven beter begrijpen. Er gaat nu veel talent verloren, en veel geld in de oplossing of bestrijding van problemen die te lang konden uitgroeien. Er wordt veel geïnvesteerd in het onder de duim te houden of gevangen zetten van jongens die destructief zijn geworden. (Één jaar opname in een gesloten inrichting of intensieve jeugdzorg kost €150.000 tot 200.000, en het gaat dan echt om duizenden jongens. Als we maar een déél daarvan in een vroeger stadium signaleren, en goed behandelen, gewoon goed afgestemd onderwijs en opvoedingsondersteuning voor de ouders….. )
Alle items vragen natuurlijk stuk voor stuk om nader uitwerking, precisering en nuancering (Zie o.a. www.laukwoltring.nl met ook vele links naar anderen).
Lauk Woltring,
Werken met jongens. Innovatie, advies, training en coaching
Maart 2010
Gerelateerde artikelen