
Vve is het meest effectief als er in de opvang of op school aan wordt gewerkt door gekwalificeerde mensen met goede programma’s. Eensgezinde inspanning van alle betrokkenen is noodzakelijk. Onderzoek wijst uit dat de investering het dubbel en dwars waard is.
door Wim Meijnen
De belangstelling voor de educatie van jonge achterstandskinderen groeide in de jaren tachtig snel. Dat kwam doordat basisscholen niet in staat bleken de ontwikkelingsachterstanden van deze leerlingen drastisch te verminderen.
KASPLANTJE
In 1994 werd een advies uitgebracht aan de ministeries vanVWS en OCW over de ontwikkelingsstimulering van achterstandskinderen: (Allochtone) kleuters meer aandacht. Aanbevolen werden centrumgerichte programma’s die op basis van evaluatieonderzoek effectief waren gebleken. De start van Piramide en Kaleidoscoop was het gevolg.
In de jaren daarvoor was veel geëxperimenteerd met gezinsgerichte programma’s zoals Instapje, Opstapje en Opstap. Deze hadden als basis groepen buurtmoeders die elke dag thuis een tiental minuten ontwikkelingstaken met hun jonge kinderen uitvoerden. Deze moeders werden begeleid door een andere moeder, eveneens uit de buurt, die door deskundigen was geschoold. Het ontwikkelingsmateriaal was gratis. De programma’s werden meestal zonder medewerking van basisscholen uitgevoerd. De effecten, op basis van gedegen evaluatieonderzoek, bleken positief maar relatief bescheiden. Meer beslag leggen op de gezinssituatie om de effectiviteit te verhogen, was praktisch onmogelijk. Bijgevolg leek een meer centrumgerichte aanpak de kans te vergroten om kansarme kinderen langduriger gerichte ontwikkelingsstimulering te bieden. Na een aantal jaren experimenteren op kleine schaal met Piramide en Kaleidoscoop kregen gemeenten geld van het ministerie van Onderwijs om op scholen met meer dan zeventig procent achterstandskinderen één van beide programma’s in te voeren, al of niet in samenwerking met een peuterspeelzaal. Kinderen van twee tot zes jaar die deelnemen aan een vve-programma zijn nu te vinden in kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en basisscholen. Kinderdagverblijven hebben als primaire functie opvang voor kinderen van nul tot vier jaar.

Hoewel nog een zeldzaam verschijnsel, worden vve-programma’s er steeds vaker toegepast. Peuterspeelzalen bieden groepsopvang voor kinderen van twee tot vier jaar gedurende enkele uren per dag, een aantal malen per week. De stimulering van de sociaalemotionele en cognitieve ontwikkeling door middel van spel en contact met andere kinderen is de belangrijkste doelstelling. In een aanzienlijk aantal peuterspeelzalen wordt, in samenwerking met basisscholen, een vve-programma uitgevoerd.
De meeste vve-programma’s worden uitgevoerd op basisscholen met kinderen uit achterstandssituaties, al of niet in samenwerking met een peuterspeelzaal. Een aantal scholen, met name in de grote steden, heeft zogenoemde voorscholen waarbij kinderen vanaf drie jaar al kunnen instromen. Gestreefd wordt naar een ononderbroken leerlijn van drie tot en met zes jaar. Dat is niet eenvoudiger geworden
SCHOOL, THUIS EN OPVANG: GOUDEN COMBI VOOR VVE
door de invoering van de zogenoemde knip: gemeenten krijgen nu de middelen om programma’s in te richten voor driejarigen en basisscholen voor de groepen 1 en 2, terwijl vroeger de gemeente alle middelen ontving. Het beleidsvoornemen is om in 2010 minimaal zeventig procent van de doelgroepleerlingen te bereiken. In 2006 is zelfs een motie aangenomen om op termijn alle doelgroepleerlingen vve aan te bieden. Met het heterogener worden van de groepen leerlingen rijzen veel organisatorische en financiële vragen. Moeten de doelgroepleerlingen van drie jaar worden bijeengebracht in speciale of in bestaande voorzieningen, onderscheiden van de andere kinderen? Of
moet, ter wille van de integratie, de hele groep kinderen van een programma profiteren hoewel velen niet tot de doelgroep behoren? Vragen te over.
MAATSCHAPPELIJKE PRIORITEIT
Kinderen van zeer laaggeschoolde Turkse of Marokkaanse ouders hebben op vierjarige leeftijd gemiddeld een ontwikkelingsachterstand van anderhalf jaar. Surinaamse en Antilliaanse kinderen van laag opgeleide ouders lopen één jaar achter en kinderen van autochtone ouders met lagere sociaal-economische status ongeveer tweederde jaar. Het gaat dan om achterstanden op cognitief terrein. Ontwikkelingsachterstanden op andere gebieden zijn er ook, maar die zijn vaak minder groot.
Wat kunnen we verwachten van de inzet van vve-programma’s in dit opzicht? Evaluatie-onderzoek heeft aanvankelijkwisselende resultaten opgeleverd. Niet alle programma’s bleken effectief. Het Perry Preschool Program uit Ypsilanti, Michigan (VS) uit de jaren zestig is daarop een uitzondering. De leerlingen zijn tot in hun volwassenheid gevolgd en de resultaten waren en bleven zo positief dat het PPP wereldberoemd werd. Het Kaleidoscoop-programma in Nederland is een bewerking daarvan. Ook de evaluaties van de beginsituatie in Nederland waren niet alle even positief. Meer recente evaluaties leveren betere uitkomsten.
De internationale resultaten hebben de aandacht getrokken van James Heckman die in 2000 de Nobelprijs voor economie won. Hij heeft al het wetenschappelijk evaluatie-onderzoek omtrent goed uitgevoerde programma’s in de vve op een rij gezet en geconcludeerd dat investeren in vve een van de beste investeringen is die een overheid kan doen. Dat levert meer economische groei op dan bijvoorbeeld investeren in het hoger onderwijs. De conditie goed uitgevoerd is wel doorslaggevend. Deze condities zijn bij de startfase van het vve-beleid geformuleerd:
• er is een gestructureerde didactische aanpak;
• er is intensieve begeleiding van de kinderen;
• het programma wordt verzorgd door gekwalificeerd personeel;
• kinderen dienen minimaal vier dagdelen per week te participeren;
Uit evaluatie-onderzoek van vve blijkt dat op alle locaties wel een of meer van deze voorwaarden worden geschonden: er zijn niet altijd twee leidsters op een groep aanwezig, ze zijn niet altijd gekwalificeerd voor het uitvoeren van het programma, het programma wordt vaak niet integraal uitgevoerd en niet alle kinderen participeren minimaal vier dagdelen.
Op sommige locaties is meer regel dan uitzondering dat minimaal twee van de vier voorwaarden gedurende langere tijd worden geschonden.
GOEDE INVESTERING
Uit onderzoek is voorts gebleken dat de combinatie van een gezinsgerichte en een centrumgerichte aanpak het meeste rendement oplevert. Dat betekent een centrumgerichte doorgaande leerlijn die loopt van twee- of driejarige leeftijd tot en met het zesde jaar in combinatie met opeenvolgende en aansluitende gezinsprogramma’s. Die moeten dan bovendien consequent door een kind worden gevolgd en niet met intervallen.
Het realiseren van een dergelijke aanpak is in de huidige situatie bijna onmogelijk: het voorschoolse vve-traject is in handen van de gemeente, het traject voor de vijf- en zesjarigen behoort de scholen toe en gezinsprogramma’s moeten het nu vrijwel zonder financiële ondersteuning doen.
Als aan al deze voorwaarden wel wordt voldaan, wat mogen we dan verwachten? Zullen de kinderen van kansarme ouders dan geen ontwikkelingsachterstand meer hebben op zesjarige leeftijd? Dat is niet te verwachten. Maar het zou mij niet verwonderen als kinderen van laag opgeleide Turkse en Marokkaanse ouders dan hun achterstand van anderhalf jaar voor de helft zouden hebben ingelopen. Deze schatting is gebaseerd op de onderzoeksresultaten van de laatste jaren. Heckman heeft uitgerekend wat dat aan economische opbrengst betekent, winst op het vlak van persoonlijk welzijn liet hij buiten beschouwing. De combinatie van beide opbrengsten lijkt mij meer dan voldoende reden om de professionalisering van vve met verve ter hand te nemen.
Wim Meijnen was voorzitter van de commissie die het in 1994 het advies ‘(Allochtone) kleuters meer aandacht’ uitbracht. Hij is emeritus hoogleraar onderwijskunde aan de Universiteit van Amsterdam.
Geen gerelateerde items
















