Deze website is verouderd! Bekijk onze nieuwe site op http://www.onderwijsmaakjesamen.nl


Let op: U bent op de oude site van OMJS - Bekijk de vernieuwde site op http://www.onderwijsmaakjesamen.nl - Artikel
Vrije school presteert slecht

06/05/09 - 09:48

Leerlingen op vrije scholen presteren slechter dan leeftijdsgenoten.Didaktief spreekt met onderzoekster, de onderwijsinspecteur, en betrokkenen op de vrije scholen: schipperen tussen traditie en verandering.

 Leerlingen in het voortgezet vrijeschool-onderwijs leren minder dan leeftijdgenoten op reguliere scholen. Met name hun prestaties met rekenen en wiskunde blijven achter. Belangrijkste oorzaak is een achterstand in het basisonderwijs.

De uitkomsten van het onderzoek van Hilde Steenbergen maken voor het eerst spijkerhard duidelijk wat de toegevoegde waarde is van de vrijeschool.‘Vrije middelbare scholen scoren in de derde klas op alle cognitieve opbrengsten lager dan op grond van hun sociaal-economische achtergrond mag worden verwacht. Driekwart van de vrijeschoolleerlingen is afkomstig uit de vrijeschool primair onderwijs en loopt daar al een achterstand met name in rekenen op. Voor Nederlands en algemene studievaardigheden zijn er aanwijzingen in het onderzoek dat de basisschool het verschil maakt, maar deze zijn niet doorslaggevend.’

 SLECHT REKENEN
Steenbergen werkt aan de Rijksuniversiteit Groningen en promoveert op 12 maart op een onderzoek naar het voortgezet onderwijs op vrijescholen, dat wil zeggen scholen die zijn gestoeld op antroposofische leest (zie verder i.h. artikel). Ze heeft data uit het VOCL´99-onderzoek – onderzoek naar prestaties van leerlingen in de basisvorming van het regulier voortgezet onderwijs cohort 1999 – gecombineerd met eenzelfde soort gegevens die zij drie jaar lang verzamelde op alle dertien vrije vo-scholen (vmbo, havo, vwo) in Nederland. Vrijescholen hanteren sinds 2000 – zeven jaar later dan de andere Nederlandse scholen – de kerndoelen van de basisvorming. In het onderzoek werden in de eerste en de derde klas de opbrengsten voor de vakken Nederlands, wiskunde en algemene vaardigheden getoetst, alsmede persoonlijkheid van leerlingen, zelfrespect, academisch zelfbeeld (hoe goed denken kinderen te kunnen leren), attitude, prestatiemotivatie en studievaardigheden. Niet op alle scholen ging dat van harte, aldus Steenbergen. Een aantal scholen weigerde mee te doen aan de cognitieve toetsen of de intelligentietests die deel uitmaakten van het onderzoek. ‘Dat gebeurt bij het regulier VOCL-onderzoek ook wel’, relativeert Steenbergen, ‘maar daar is minder weerstand dan hier.’
De inspectie beoordeelde de afgelopen jaren een relatief groot aantal vrijescholen als (zeer) zwak (zie verder in het artikel). Van oudsher pareren vrijescholen kritiek op hun rekenonderwijs in de basisschool met de stelling dat het rekencurriculum anders is opgebouwd dan op reguliere scholen. Leerlingen zouden getoetst worden op zaken die zij nog niet hebben gehad. Op de middelbare school zou het verschil in reken- en wiskundeprestaties worden weggewerkt. Uit het onderzoek van Steenbergen blijkt dat in ieder geval in de derde klas nog niet
het geval te zijn. ‘En’, zegt zij, ‘het verschil is dermate groot dat ik ook niet verwacht dat het nog weggewerkt kan worden voor het eindexamen’. Zwakkere leerlingen gaan minder vooruit in het vrije vo-onderwijs.‘Vrijescholen benaderen leerlingen heel klassikaal. Verschillen tussen kinderen worden gecontinueerd in plaats van kleiner gemaakt. Sterker nog, de slimmere leerlingen worden kennelijk iets beter bediend, zij doen het beter op toetsen Nederlands en wiskunde. De zwakkere kinderen blijven voornamelijk op hetzelfde niveau, achterstanden
worden zo gecontinueerd.’

STERKE KINDEREN
Je zou kunnen zeggen dat vrijescholen niet genoeg voldoen aan datgene waar ze voor gefinancierd worden. Maar,nuanceert de onderzoekster onmiddellijk, ze ‘leveren’ daarnaast een aantal extra dingen. ‘Alle leerlingen gaan in de loop van de tijd harder werken en zijn meer gemotiveerd om te leren.Ze scoren beter dan leeftijdgenoten in het reguliere onderwijs op de zogenoemde integratieve leerstrategie: ze gaan steeds harder werken, proberen verbanden te leggen in de stof, durven zichzelf vragen te stellen en verlenen betekenis aan de lesstof.’ Op de lange termijn is dat een belangrijk resultaat dat kan leiden tot dieper leren. Wat de kinderen zelf denken over hun leerprestaties en leervermogen is voor tweeërlei uitleg vatbaar. Het academisch zelfbeeld van deze kinderen is goed en zelfs beter naarmate ze minder
intelligent zijn. Steenbergen:‘Dat is raar natuurlijk en het kan betekenen dat ze in het vervolgonderwijs ontzettend onderuit gaan, omdat ze zichzelf overschatten. Maar het kan ook motiveren om te blijven leren zodat ze niet wegkwijnen in negatieve gevoelens ten opzichte van school.

TURBULENTIE ONDERWEG

De Vereniging van vrijescholen werkt hard aan verbetering van de onderwijskwaliteit.Maar niet alle leden zijn het er mee eens. Sommigen vrezen een scheuring: de eigenheid en vrijheid van inrichting staan ter discussie. Onzin, zegt de inspectie, verbetering is mogelijk binnen het vrije schoolconcept.

Hans Boekhout stond de afgelopen jaren midden in de storm die over het vrijeschool onderwijs heen raasde. De directeur van de begeleidingsdienst voor vrijescholen in Zeist formuleert zijn woorden voorzichtig als ik vraag of de oordelen van de inspectie hem verbaasden. ‘We hadden wel een Ahnung van de problemen. Maar dat het zo erg was, wisten we niet.’ Onmiddellijk nuanceert hij: ‘Het beeld was redelijk dramatisch, maar dat had ook te maken met het feit dat ons onderwijs opeens strenger werd beoordeeld.’ De Tweede Kamer was bezorgd over het Nederlandse onderwijs en verscherpte daarom het toezicht in 2002 met de wet op het onderwijstoezicht. De nadruk kwam meer te liggen op rendement en landelijk genormeerde opbrengsten die scholen vergelijkbaar maakten. ‘Die systematiek was in ons nadeel, want vrijescholen werken veelal niet met methoden of met landelijk genormeerde toetsen.’

 WAARDERING
Maria Duif, bestuurslid van de Vereniging van vrijescholen van 1993 tot 2003 en verantwoordelijk voor inspectiezaken, bevestigt dit beeld. ‘In mijn tijd hebben we inspecteurs zich laten verdiepen in de vrijeschool, zodat ze rekening konden houden
met onze vorm van onderwijs.’ Uit gesprekken met Boekhout, Duif en andere leden van de Vereniging ontstaat een beeld van inspecteurs die de inspanningen van vrijescholen wel waardeerden. Zij ´moesten´ echter met het nieuwe toezichtkader
na 2002 ´onvoldoendes uitdelen`. ‘We dachten eerst, we mogen niets meer’, zegt Duif. ‘Maar nu zien we wel in dat we beter zichtbaar moeten maken wat we (goed) doen.’ Wat Duif betreft, zelf schoolleider in Den Bosch, ligt de uitdaging vooral in het onderbouwen van de keuzes van een vrijeschool: ‘Het gaat om de vertaalslag van de vrijeschool naar de criteria van de overheid. Tussen- en eindopbrengsten op taal en rekenen moeten voldoende en zichtbaar zijn.’ De suggestie lijkt te zijn dat de voornaamste bottleneck bij de inspectiebezoeken het ontbreken van eindopbrengsten op papier is. Die suggestie verwerpt Leon Henkens, hoofdinspecteur primair onderwijs: ´Een school wordt als zeer zwak beoordeeld als er onvoldoende (of onzichtbare, wat niet geadministreerde) eindopbrengsten zijn èn als het onderwijsleerproces onvoldoende scoort. Bij zeer zwakke scholen was het aanbod ver onder de maat, de kwaliteit van de leraren onvoldoende en was er geen taakgerichte werksfeer.

De kwaliteit van de aansturing was slecht of ontbrak. De Vereniging heeft vervolgens stevige initiatieven ontplooid, met name binnen de taskforce zeer zwakke scholen. Maar we zien dat het verbetertraject op sommige scholen of in delen van teams moeilijkheden oplevert. Er leven bijvoorbeeld verschillende opvattingen over wat goed onderwijs is of verschillende verwachtingen over de resultaten. Als zo´n richtingenstrijd in een team niet wordt beslecht, is dat slecht voor het verbetertraject.’ De inspectie brandt zijn handen niet aan dergelijke interne aangelegenheden. Henkens: ´Het is aan het bevoegd gezag met deze problemen om te gaan. Wij zijn er niet om scholen te helpen. Wij kunnen niet sturen.´

ONDERWIJSVERNIEUWERS
Eén argument keert regelmatig in gesprekken met leden van de Vereniging terug. Het huidige toezichtkader van de inspectie zou de vrijheid
van inrichting in de weg staan. Dat schrijft ook Ad Boes van Netwerk SOVO (Samenwerkingsverband van Organisaties voor onderwijsvernieuwing waarin Dalton, Freinet, IVO, Jenaplan, Montessori, en vrije scholen samenwerken) in de brochure ‘Elke school is er één’. Inspecteur Henkens laat het zich niet aanleunen. ‘Twee dingen: in de wet op het basisonderwijs staat dat je de vorderingen van leerlingen moet bijhouden. Er kan alleen discussie zijn over de manier waarop.’ Een inspecteur die vraagt naar een leerlingvolgsysteem en van een leerkracht hoort ‘ik  draag het in mijn hart’, mag ontroerd zijn, maar moet toch een onvoldoende invullen. Henkens: ‘Ik bestrijd niet dat elke leerling uniek is, maar er kán sprake zijn van onderprestatie in een leerlingpopulatie. Dan moet je als school uitleggen waarom dat zo is.’
De argumenten, daar gaat het Henkens om. ‘Kleuterverlenging speelt vaak in vrijescholen. Uit onderzoek blijkt dat het niet per se effectief is, dus een school moet uitleggen waarom ze dat doet en laten zien wat het resultaat is.’ En als een vrijeschool spreekt van een onvoldoende ontwikkeling van het “etherlichaam”? ‘We wijzen dat niet af, àls het is vastgelegd in het schoolbeleid,beargumenteerd wordt voor die ene kleuter en minimaal een keer objectief getoetst is.’ Gert Hilbolling is voorzitter van de taskforce zwakke vrijescholen: ‘Doel was alle scholen inspectieproof te maken. Dat betekent dat tussen- en eindopbrengsten voldoende meetbaar zijn. Dat lijkt aardig te lukken.

Van de circa 30 (2006) die zwak waren, staan er nu nog maar twaalf op de lijst, van de vijftien (2006) die zeer zwak waren, nog maar vijf per 1 februari 2009.’ Het onderzoek van de inspectie heeft veel losgemaakt, zegt hij: ‘We zijn al honderd jaar een  vernieuwingsschool en dan moet je blijven vernieuwen. Hoe geef je antwoord op het kind van nu? Via de school aan een betere wereld werken, dat is onze grote ideaal. Maar wel op onze manier. Van oudsher zeggen wij: een goede leerkracht heeft zijn kinderen in de gaten, die hoeft niet voortdurend te toetsen. Maar nu de kwaliteit zo ter discussie staat, moet ook de Vereniging daar anders mee omgaan.’ Om dat te doen is bijvoorbeeld de zogenoemde quartz monitor ontwikkeld.

Scheuring
Annemiek Zwart was nauw betrokken bij de ontwikkeling van de leerlingmonitor. ´De inspectie hanteert een normenkader dat nooit aansluit bij wat wij doen. Bij ons staat het proces en de kwaliteit van het leren centraal en niet alleen de opbrengst. Maar we wíllen van die lijst zwakke scholen af. Met de monitor kunnen we de inspectie laten zien hoe kinderen bij ons leren, dát ze leren. Het is een manier van registratie (met toetsen, portfolio, verslagen) die tien jaar geleden not done was.’ De monitor is een concessie die kan leiden tot een scheuring in de Vereniging vrezen sommigen. Maria Duif: ‘Als Vereniging werken we aan een accreditatie van vrijescholen en daar wordt dit een punt. Er is een groep die bang is dat het wezenlijke  van de vrijeschool te veel verdund wordt. Die angst kunnen we niet wegnemen. Vooral de oudere garde heeft het moeilijk, maar de ledenvergadering moet beslissen.’ Ze heeft haar hoop gevestigd op drie grotere fusiebesturen die samen de helft van het totaal aantal scholen tellen. Maar de eenpitters kunnen roet in het eten gooien. Hilbolling is er zelf nog niet uit: ‘Als de overheid terugvalt op kennisoverdracht, kunnen we op gespannen voet met diezelfde overheid komen te staan.’ Voorlopig blijft de taskforce gehandhaafd, ook als de laatste (zeer) zwakke vrijeschool van de inspectielijst is verdwenen. Het kabinet heeft inmiddels een wetsvoorstel ingediend ‘goed onderwijs, goed bestuur’ waarmee het de bekostiging van een school kan beëindigen wanneer er sprake is van aanhoudend
slecht onderwijs. De inspectie ziet het wetsvoorstel als een effectieve aanvulling op haar instrumenten. Momenteel is het bijna onmogelijk om slecht presterende en ´onwillige´ scholen effectief aan te pakken.


Is dit een christelijke school?
‘Nee, wij hebben kinderen van alle gezindten. We voeden niet op tot antroposofen, maar leidraad voor leraren is wel het antroposofische mensbeeld. Wij geloven in reïncarnatie. We willen kinderen helpen het doel te bereiken dat ze zich - voordat ze geboren werden op aarde - onbewust hebben voorgenomen. Wij reiken kinderen gereedschap aan om zelf hun weg te vinden. Zij moeten als vrije mensen keuzes maken.’
In de gang hangen kindertekeningenvan graanhalmen?
We proberen een verbinding te maken met de natuur. In dit geval hebben ze zaaien, oogsten, dorsen gezien op een biologische boerderij in de buurt. Wie wil begrijpen hoe indrukwekkend het is dat een combine een hectare graan oogst per uur, moet bij die sikkel beginnen.Wij beginnen met het ambacht. Zo´n aanpak hanteren we ook bij schrijven: eerst beeldschrift, spijkerschrift. Kinderen maken kleitabletten, uiteindelijk krijgen ze een eigen vulpen in klas 3.
´Critici zeggen dat vrijescholen kinderen te langzaam laten leren?
Je moet kinderen tijd geven en ze niet opjagen om zich te ontwikkelen. Als het leesproces iets trager gaat? Goed, ieder kind heeft zijn eigen moment dat het inzicht doorbreekt. In de aanvangsjaren nemen we meer tijd voor de basis en vanaf klas drie gaat het leertempo bij ons ongeveer hetzelfde als in een reguliere school. Aanvankelijk leren lezen en rekenen gaat langzamer, omdat we de activiteiten anders ordenen. We besteden veel tijd aan een zorgvuldige klank-tekenkoppeling en een kunstzinnige verwerking. Het gaat ons om een verbinding met de leerstofinhoud, een beleving van het hele wezen.’
Kinderen leren smeden, koper slaan et cetera, waarom?
‘Wij vinden de ambachtelijke vakken gelijkwaardig aan de cognitieve, ze hebben evenveel uren. We benutten kunstzinnig werken ook om sociaalemotionele problemen te verhelpen. Onze stagiaire laat bijvoorbeeld kinderen die extreem dominant zijn of juist heel verlegen, samen kleuren. Ze moeten rekening houden met elkaar, niet alle ruimte innemen met hun kleurvak en anderzijds ruimte durven nemen, tot de helft van het papier durven gaan. Het kunstzinnige sluit aan bij het gevoelsleven van kinderen, zo bereik je een diepere laag. Je kunt met ze praten over dominantie of verlegenheid, maar het is beter ze iets te laten doen.’
Worden alle kerndoelen gehanteerd?
‘Ja, maar niet in de volgorde zoals aanbevolen. De eerste en tweede wereldoorlog behandelen we pas in klas 7 en 8 (voortgezet vrijeschoolonderwijs), omdat we dat niet vinden passen bij kinderen van zeven tot veertien jaar. Ook de evolutietheorie doen we hier niet, omdat we niet geloven dat mensen van apen afstammen. Maar in de bovenbouw wordt wel Charles Darwin behandeld.’

 

 

 

 

 

PRESTATIES
Het valt in ieder geval op dat juist in een context waar cognitieve prestaties minder “tellen”, dat zelfbeeld van leerlingen zo positief is. Dat kan uitval misschien helpen voorkomen, daar kunnen andere scholen iets mee.’ Op de website van Trouw staat een fi lmpje over de vrijeschool. Een van de ouders die geïnterviewd wordt, prijst de leeromgeving: ‘Het worden er zulke sterke kinderen.’ Steenbergen kent het fi lmpje niet, maar ze zegt: ‘Dat geldt niet voor iedereen. Meisjes op de vrijeschool zijn zuur, zij scoren echt heel veel lager op zelfrespect dan jongens.’
Sterk is ook een relatief begrip. Vrijescholen kunnen bijvoorbeeld veel meer doen aan het probleemoplossend vermogen van kinderen. Steenbergen: ‘Het verbaasde me enorm dat leerlingen lager scoorden op de test algemene vaardigheden. Ik verwachtte dat ze het beter deden gezien de aard van het curriculum, het brede aanbod, maar dat maken ze niet waar.’ Ook op emotionele stabiliteit scoorden leerlingen lager dan op reguliere scholen. Steenbergen: ‘Ik denk dat het komt omdat ze meer met “grote vragen” bezig zijn dan elders. Deze kinderen denken door. Aan de andere kant zie je dat ze veel autonomer zijn als ze de middelbare school binnenkomen.’ Resumerend: geen doorsnee-brugpiepers dus. Hilde Steenbergen wist weinig van vrijeschoolonderwijs, voor ze aan haar promotieonderzoek begon. ‘Vage vogels die veel doen aan creatieve vakken, dat was het wel zo´n beetje.’ Inmiddels weet ze beter. ‘Ik heb een dag meegedraaid op een vrije middelbare school en als je dan binnenkomt, voel je wel: hier zit het goed. Maar aan de andere kant valt er aan de kwaliteit van onderdelen van dat onderwijs wel veel te verbeteren, zo blijkt uit mijn cijfers. Ik hoop vooral dat de vrijescholen zich eens achter de oren krabben en iets doen aan het rekenonderwijs in de onderbouw. Want daar is echt iets mis.’ Dan zal er wel meer getoetst moeten worden, om de vinger aan de pols te houden. Steenbergen: ‘Ik zie in dit onderzoek dat vrijeschoolleerlingen gewoon niet goed zijn in toetsen maken. Ze hebben veel meer tijd nodig om tot ze te laten doordringen wat er van ze gevraagd wordt, ze zijn minder ervaren. Dat moet beter. Je kunt wel zeggen: ik houd niet van toetsen, maar in het hoger onderwijs worden studenten ook voortdurend getentamineerd. Dat moeten ze leren om verder te kunnen.’ 

Door: Monique Marreveld



© Onderwijs Maak Je Samen (OMJS)