Voor het ministerie was dat aanleiding om De Argumentenfabriek in de personen van Kees Kraaijveld en mijzelf te vragen een analyse te maken van het debat over het Nieuwe Leren. Daarop zijn een aantal bijeenkomsten georganiseerd met deskundigen om een inventarisatie te maken van de argumenten voor en tegen het Nieuwe Leren. Op basis van die inventarisatie is een argumentenkaart gemaakt. Vervolgens is een analyse uitgevoerd op de 330 artikelen die de afgelopen twee jaar zijn verschenen in landelijke dagbladen over het Nieuwe Leren. Vervolgens is ook een inventarisatie gemaakt van de argumenten die in deze artikelen naar voren werden gebracht. Opmerkelijk genoeg bleken de kaart die op basis van de inventarisatie van de deskundigen werd gemaakt vrijwel overeen te komen met de inventarisatie van de argumenten die in het media-debat naar voren kwamen. Het debat in de media was veel rijker dan in eerste instantie de verwachting was. Blijkbaar is er een verschil tussen de manier waarop een debat in de krant wordt ervaren en hoe het feitelijk is geweest. Sommige artikelen maken meer indruk en worden gemakkelijker onthouden dan andere.
De argumentenfabriek heeft daarom besloten om één kaart te maken van alle argumenten voor en tegen het Nieuwe Leren. Die kaart biedt een uitputtend beeld van het debat. De kaart helpt zo om te zien waar nu precies de verschillen liggen.
De argumentenkaart beperkt zich tot een inventarisatie van de argumenten. Het wereldbeeld achter de argumenten wordt niet geëxpliciteerd. Er is evenmin een weging van argumenten. Toch is het zo dat niet elk argument evenveel beroering wekt.
Ook de argumenten die vooral proberen om een tegenstander te ontmaskeren zijn niet op de kaart gezet. Toch zijn juist die verdachtmakingen van grote invloed op de dynamiek van een debat. Met dit essay hebben we geprobeerd juist die dynamiek bloot te leggen. We laten zien welke beelden mensen in hun achterhoofd hebben bij een termen als het Nieuwe en het traditionele leren. We laten zien welke mensbeelden er achter de argumentaties schuil gaan en welke kwesties de meeste beroering wekken. Aan het slot doen we vervolgens suggesties aan de hand van welke criteria het debat het best gevoerd kan worden. Bij dit essay hebben we ons primair gericht op het debat in de media. Naar de deskundigenbijeenkomsten, van groot belang voor de gedachtevorming, wordt niet expliciet verwezen
Bij het doorlezen van twee jaar discussie over het Nieuwe Leren spat de wanhoop van veel docenten van de pagina’s. In een door de Volkskrant georganiseerd debat formuleert Marcel den Hollander, leraar Duits op het VWO, de kritiek kernachtig: 'Van buitenaf wordt in toenemende mate van leraren gevraagd dat ze met de handen op de rug toezien hoe leerlingen zich kennis eigen maken.' In zijn ogen is er sprake van een simpele uitruil. De leerling is centraal komen te staan en de docent is marginaal geworden. Jan Drentje, leraar geschiedenis, spreekt van een paradox: “Waar studenten de vrijheid krijgen om hun leervragen te formuleren, wordt de docenten de vrijheid ontnomen hun vakgebied vorm te geven.” De toegenomen verantwoordelijkheid van de leerling voor zijn eigen onderwijs is de criticasters een doorn in het oog. De meeste leerlingen zijn daar in het geheel niet toe in staat. De toegenomen vrijheid leidt daarom onherroepelijk tot een verlaging van het niveau. Martin Sommer, die in De Volkskrant een hele serie columns wijdt aan de perikelen in het onderwijs spreekt treffend van de ‘zoek-het-maar-uit-school’ .
De karikaturen: Iederwijs tegenover de Koning van de Klas
In discussies hebben mensen vaak een beeld in hun achterhoofd waarnaar ze in hun argumentaties impliciet refereren. De Groningse filosoof Lolle Nauta noemt dat exemplarische situaties. Hij meent dat je argumentaties beter begrijpt als je de exemplarische situatie achterhaalt. In het debat over het Nieuwe Leren fungeren de Iederwijsscholen als exemplarische situatie. Bij die scholen is de vrijheid van de leerlingen compleet. Ze hoeven niets te doen waar ze geen zin in hebben. Voor criticasters fungeert Iederwijs als het archetype van het Nieuwe Leren. Ze erkennen dat andere vernieuwingen minder radicaal zijn, maar zien in Iederwijs het Nieuwe Leren in zijn zuiverste vorm. Daarmee benoemen ze de toegenomen vrijheid van de leerling voor zijn eigen onderwijs tot kern van het Nieuwe Leren. In haar analyse van het Nieuwe Leren constateert socioloog Sietske Waslander van de Rijksuniveristeit Groningen dat de berichtgeving over Iederwijs fungeert als aanjager van het debat over het Nieuwe Leren.
De aanhangers van de onderwijsvernieuwing maken op hun beurt een karikatuur van het traditionele leren. Zo vergelijkt Ingrid Verheggen, de directeur van adviesbureau APS, het oude leren met het ganzenlevermodel. Kennis wordt de leerlingen als het ware door de strot geduwd. Erik Nohlmans heeft het over een Tayloristische opsplitsing van vakken. Alsof onderwijs geven lopende band werk is geworden. De klassieke docent gedraagt zich als een ‘koning voor de klas’. Hij geeft frontaal les en biedt geen ruimte aan de individuele leerling. Voorstanders van het Nieuwe Leren benadrukken vooral de passiviteit van de leerling in het traditionele onderwijs. De eigen inbreng is minimaal.
Beide beelden zijn een karikatuur. Maar juist door de uitvergroting wordt zichtbaar wat de grootste angst is. Tegenstanders van het Nieuwe Leren vrezen vrijblijvendheid, voorstanders van het Nieuwe Leren zijn bang voor passiviteit.
Voor welk probleem is het Nieuwe Leren een oplossing?
"Het traditionele onderwijs werkt niet meer", zegt Dave Drossaert, rector van het Unic "Leerlingen haken steeds meer af. Ze vertonen consumentengedrag: wij zitten stil, de leraar zegt hoe het zit. Wij willen het onderwijs aan de leerling teruggeven.” Het gebrek aan motivatie van de leerlingen is de meest genoemde reden waarom het onderwijs anders moet worden georganiseerd. Als leerlingen al iets doen dan is het om een zesje te halen bij een proefwerk. Bovendien zijn leerlingen veranderd. Ze zijn snel afgeleid en tonen weinig interesse. Ze groeien op in een samenleving waar een overdaad aan informatie en keuzemogelijkheden bestaat. Buiten school zijn ze gewend om zelf keuzes te maken. Leerlingen zijn veel mondiger geworden. Zoals een brievenschrijver in de Volkskrant stelt: “Vmbo-scholen en roc's weten dondersgoed dat de internetgeneratie niet meer als makke lammeren in een hok is samen te drijven. O ja, je kunt het doen, maar van leren komt weinig terecht. De docent moet alle energie stoppen in orde houden want geen hond wil meer met de handen over elkaar in een bankje naar een goedbedoeld, maar saai verhaal luisteren. Die tijd is echt voorbij.” Volgens Paul Schnabel van het Sociaal-Cultureel Planbureau is nergens in West-Europa de schooluitval zo hoog als in Nederland. Jaarlijks gaat het om zo’n 120 duizend leerlingen.
Onderwijspsycholoog Rob Martens betwijfelt of leerlingen zoveel zijn veranderd. Volgens hem liepen leerlingen twintig of dertig jaar geleden ook niet over van enthousiasme. Het grote verschil was dat er toen veel meer structuur en discipline was. "De deksel zat er nog op. Scholen, docenten en ouders hebben de teugels laten vieren: als leerlingen slecht gemotiveerd zijn, komt dat nu eerder aan het licht." Veel ouders willen ook niet dat hun kind in het keurslijf wordt gedrukt. Ze gunnen hun kinderen een leukere tijd op school dan ze zelf hebben gehad. Ze geloven ook dat de samenleving en de arbeidsmarkt andere vaardigheden vragen van leerlingen. Toekomstige werknemers moeten zelfstandig kunnen werken. Ze moeten goed kunnen samenwerken. Ze moeten flexibel zijn. Ze moeten niet beschikken over specifieke vakkennis, maar zich nieuwe taken en eisen snel eigen kunnen maken. De voorzitter van de CNV onderwijsbond ziet daarom steeds meer een tegenstelling tussen de wensen van de ouders en de behoeften van de docent. “Ouders proberen hun kinderen groot te brengen tot assertieve individuen, die overeind blijven in de verharde maatschappij. Leraren kunnen met 25 assertieve individuen hun werk niet doen. Dus leren zij kinderen juist de eigen wensen ondergeschikt te maken aan de groep.”
Of de kinderen nu zijn veranderd, de eisen aan toekomstige werknemers anders zijn of dat alleen de wensen van de ouders zijn veranderd. Het resultaat voor de docent is hetzelfde. Hij heeft te maken met leerlingen die zich moeilijk schikken in het traditionele onderwijs. De klas is niet vooruit te branden en dus heeft de docent het zwaar. Hij moet politieagent spelen. Nergens is het risico op burn-out zo groot als in het onderwijs. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek kampt 14 procent van de mensen die in het onderwijs werken met burn-out klachten
Een vierde reden voor de noodzaak van onderwijsvernieuwing is de gebrekkige aansluiting op het vervolgonderwijs. Op de universiteit moeten leerlingen zelfstandig kunnen werken. Een van de doelstellingen van het studiehuis was dat leerlingen dat dan al op de middelbare school zouden leren.
Criticasters van het Nieuwe Leren betwijfelen of de doorgevoerde onderwijsvernieuwingen een oplossing bieden voor de genoemde problemen. Ze vinden dat de school zich niet moet aanpassen aan de leerling. Dat is capitulatie schrijft leraar Engels Marius Jaspers. “Niets rechtvaardigt de optimistische verwachting dat voormalige treiterkoppen en slaapwandelaars zich achter dezelfde flikkerende beeldschermen waar ze toch al tot diep in de nacht achter hangen zullen ontpoppen tot intrinsiek gemotiveerde studenten die reflecteren op hun eigen functioneren.” Ze betwijfelen ook of de arbeidsmarkt wel zit te wachten op mensen die zichzelf prima kunnen presenteren, maar weinig vakinhoudelijke kennis hebben. Dan heb je een loodgieter die wel een prima offerte kan maken, maar het eigenlijke werk moet overlaten aan zijn Poolse collega. En het ordeprobleem van docenten kan wel minder zijn als leerlingen minder klassikaal onderwijs krijgen, maar of daarmee de stress afneemt is voor de critici nog maar de vraag, want als de bevrediging die docenten uit hun werk putten verdwijnt, krijg je alleen maar meer overspannen leerkrachten.
In het Parool constateert Bart Tromp dat van de verbetering van de aansluiting tussen school en universiteit weinig terecht is gekomen. “In het onderwijs is een omgekeerde wereld ontstaan. In het middelbare onderwijs wordt uitgegaan van leerlingen die zo zelfstandig en gemotiveerd zijn dat ze zichzelf alles zullen leren wat nodig is om aan de universiteit zelfstandig en gemotiveerd te functioneren. Maar omdat dit uitgangspunt niets met de werkelijkheid van doen heeft, moeten universiteiten wel verschoolsen, ook al gaat dat uiteindelijk ten koste van hun niveau.”
Definitie van het Nieuwe Leren
Het Nieuwe Leren is een containerbegrip dat door iedereen verschillend wordt ingevuld. Niettemin heeft het nieuwe leren een aantal basisingrediënten. Een daarvan is dat kennisverwerving voor de aanhangers van het Nieuwe Leren geen doel op zich is. Het gaat erom wat je met kennis kan.
Onderwijspsycholoog Rob Martens onderscheidt vier kenmerken van het nieuwe leren : onderwijs moet leiden tot inzicht en begrip (iets van buiten leren is zinloos); nieuwsgierigheid en een drang tot exploreren zijn de beste drijfveren om te leren (het liefst in een authentieke omgeving of simulatie daarvan, zoals een garage of kantoor); 'zelfregulatie' motiveert degene die leert (leerlingen bepalen hun eigen leerstrategie en hun studietempo en -voortgang) en samenwerking stimuleert tot leren.
Leerlingen moeten begrijpen waarom ze iets moeten leren. Als ze het nut ervan inzien, vergroot dat de motivatie. Het Nieuwe Leren begint daarom niet bij de theorie, maar bij een kwestie of een probleem. Idealiter overstijgt de kwestie de grenzen van diverse vakgebieden. Er bestaat een grote voorliefde voor projecten. Soms bedenken leerlingen zelf de onderzoeksvraag, maar dat is niet noodzakelijk. Het kan ook zijn dat een bedrijf vraagt om een oplossing voor een probleem en dat leerlingen zich daarop storten. In het Nieuwe Leren geldt: hoe realistischer, hoe beter.
De voorkeur voor het samenwerken in groepen heeft een dubbele oorzaak. Samenwerken is een vaardigheid die leerlingen zich eigen moeten maken, maar door het samenwerken leren leerlingen de stof ook beter. De beste manier om kennis of theoretische inzichten te doorgronden is om door het uit te leggen aan iemand anders. Leerlingen die veel uitleg geven aan klasgenoten halen de beste studieresultaten. Dat blijkt uit onderzoek waarop docente onderwijskunde Henny van der Meijden is gepromoveerd.
Het gebruik van Informatie en Communicatie Technologie wordt ook vaak genoemd als kenmerk van het Nieuwe Leren. Maar volgens de Groningse hoogleraar Greetje van der Werf kan ICT zowel worden ingezet bij traditioneel onderwijs, als bij het Nieuwe Leren. Voor haar is het kenmerk van het traditionele onderwijs dat de onderwijsstof stapsgewijs in kleine porties wordt aangeboden. Dat kan ook via een computerprogramma, waarbij kinderen steeds opdrachten moeten maken van hun eigen niveau. Anders is het als de computer wordt gebruikt voor samenwerkend leren zoals Henny van der Meijden bepleit. De computer wordt nu te veel gebruikt om informatie te vinden. Zij bepleit dat scholen ICT gebruiken om kinderen elkaar vragen te laten stellen en uitleg te laten geven. In dat geval maakt ICT onderdeel uit van het Nieuwe Leren.
Twistpunt 1: wie doet het beste recht aan verschillen tussen leerlingen?
Een van de argumenten voor het Nieuwe Leren is dat het traditionele onderwijs is gericht op de ‘gemiddelde leerling’. Het is slecht in staat om recht te doen aan verschillen tussen leerlingen. Ondertussen zijn de verschillen tussen leerlingen enorm toegenomen. Vooral op het vmbo zitten leerlingen met zeer uiteenlopende achtergronden, kwaliteiten en ambities. Het Nieuwe Leren belooft aan deze verschillen meer recht te kunnen doen doordat de individuele leerling centraal staat. Kees Beekmans columnist van de Volkskrant en leraar op een praktijkschool in Amsterdam heeft een duidelijk beeld van een goede vmbo en praktijkschool: je moet “de opleiding niet alleen zo praktisch mogelijk maar ook zo individueel mogelijk maken, waarmee ik niet bedoel dat kinderen altijd alleen werken, integendeel, maar ze ontwikkelen hun eigen talenten, ze doen vooral dat waar ze goed in zijn. Ze moeten succes hebben, het gevoel krijgen dat ze ook wat waard zijn. Laat het onderwijs vooral ook de buitenwereld raken - geef deze kinderen de kans te socialiseren. Ze moeten snel op stage, en gewoon werken. Ze leren het best in een omgeving die zo echt mogelijk is: de maatschappij.”
Criticasters van het Nieuwe Leren betwijfelen of wel recht wordt gedaan aan de verschillen tussen leerlingen. Cultuursocioloog Gabriel van den Brink stelt dat het ideaal van zelfstandigheid alleen iets is voor de bovenlaag. “Je gaat uit van leerlingen die de taal goed spreken en plezier hebben in leren, maar dat geldt echt niet voor iedereen. Die discipline heeft niet ieder kind. Dat moet je ze aanleren, net als de arbeiderskinderen in de jaren dertig dat moesten. Daar is, net als honderd jaar geleden, een beschavingsoffensief voor nodig.”
Onderzoekster Ria Bronneman van het SCP legt niet de nadruk op de vrijheid van de leerling, maar op de praktische inslag van het leren en op de nadruk op vaardigheden in plaats van kennis. Zij meent ook dat maar een klein deel van de leerlingen daar baat bij heeft. Opvallend genoeg gelooft zij juist dat het Nieuwe Leren alleen soelaas kan bieden voor de leerlingen van het vmbo en het mbo. “Ik denk dat het wel goed is voor vmbo en voor mbo, maar of het ook zo is voor het vwo vraag ik me af. Daar wordt een hoger abstractieniveau vereist.”
Als de onderwijsmethoden van het vmbo en het mbo wel geschikt zijn voor de beroepspraktijk, maar een slechte voorbereiding zijn voor een hbo-opleiding, dan wordt het steeds moeilijker via het onderwijs te de maatschappelijke ladder te beklimmen. Dat is precies de vrees van veel criticasters. De softe aanpak in het onderwijs maakt het juist moeilijk voor immigrantenkinderen om hoger op te komen. Wie van huis uit weinig heeft meegekregen kan dit door het nieuwe leren veel moeilijker compenseren op school. Andere criticasters drukken zich nog krasser uit. “Vroeger kon de onderklasse emanciperen via het onderwijs. Maar het moderne Nieuwe Leren sluit jongeren aan de onderkant op in hun getto. De gebrekkige kennis en de aangeleerde routineuze vaardigheden die resulteren in het hedendaagse mbo-diploma, veroordelen de huidige generatie leerlingen tot een leven van losse scharrelbaantjes en uitkeringen. Deze vorm van onderwijs voert regelrecht naar een gesegregeerde samenleving.”
In hun manifest van de Vereniging Beter Onderwijs Nederland bieden Ad en Marijke Verbrugge een andere oplossing om recht te doen aan de verschillen in het onderwijs. Zij bepleiten de vorming van homogene klassen. Met een zorgvuldige selectie moet dat mogelijk zijn. Ze zijn dan ook voor de afschaffing van Weer Samen Naar School. Die wet stimuleert dat kinderen die eigenlijk naar het speciale onderwijs moeten in gewone klassen blijven zitten.
Twistpunt 2: Waaruit bestaat de professionaliteit van de docent?
Tegenstanders van het Nieuwe Leren zien de vakinhoudelijke kennis van de docent als de kern van zijn professionaliteit. “In een goede leraar krijgt de leerstof een persoonlijk gezicht en hij kan met zijn bezieling voor zijn vak en het onderwijzen daarvan de leerlingen door de meer weerbarstige delen van de stof heen loodsen. Voorwaarde voor het slagen van deze aanpak is wel dat leraren en docenten er überhaupt aan toekomen hun vak naar eigen inzicht te onderwijzen.” Het Nieuwe Leren vormt een driedubbele bedreiging van de professionaliteit van de leerkracht. Zijn autonomie om zijn eigen vak naar ‘eigen inzicht te onderwijzen’ wordt beperkt omdat in het Nieuwe Leren de lesstof niet centraal staat. Het gaat niet om kennis, maar om wat je met kennis kan. Leerlingen moeten aan de hand van interessante problemen of projecten ingevoerd raken in de leerstof.
Een tweede bedreiging komt eruit voort dat projecten vaak vakoverschrijdend zijn. De docent is veroordeeld om samen te werken met diverse collega’s. Met de opkomst van teams neemt ook de greep van het schoolmanagement op de individuele docent toe, omdat het schoolmanagement eisen stelt aan de leerplannen van de onderwijsteams en die leerplannen beoordeelt.
Ten derde bestaat de kans dat de vakdocent wordt vervangen door een minder hoog opgeleide begeleider. “De contacturen met vakdocenten nemen af, ondergekwalificeerde, want goedkopere begeleiders nemen hun plaats in en vaksecties worden ontmanteld tot jaarteams met thematische lesprogramma's.” De Vereniging voor Beter Onderwijs stelt dan ook dat een verbetering van het onderwijs begint bij eerherstel voor de vakdocent. Hij moet zijn autonomie terugkrijgen.
Voor de pleitbezorgers van het Nieuwe Leren schuilt de kern van de professionaliteit van de docent niet in de vakinhoud, maar in de pedagogiek en de didactiek. De centrale vraag is niet hoe loods ik de leerlingen door de lesstof, maar hoe organiseer ik het onderwijs zo dat leerlingen inzicht krijgen in het vakgebied? Daarvoor is het noodzakelijk om te zorgen dat leerlingen willen leren en dat ze snappen wat ze met de verworven kennis en vaardigheden kunnen doen. Zo heeft docent Roel Grol in 2005 de Appels en Perenprijs gewonnen voor vernieuwende didactiek voor zijn boek: “Leren denken met economie”. In plaats van leerlingen te leren wat bijvoorbeeld de definitie is van conjunctuur, draait hij het om. “Ik laat ze nadenken over welke verschijnselen bij welke fase van de conjunctuur horen en waarom. Bijvoorbeeld dat het aantal uitzendkrachten toeneemt. Wat leiden economen daar uit af?" Hij noemt dat activerende didactiek.
De professionaliteit van een docent bestaat ook uit zijn vermogen om bij de begeleiding van leerlingen verdieping aan te brengen. De filosofie van het Nieuwe Leren is dat als een leerling bij een praktijkopdracht of een project oploopt tegen een lacune in zijn kennis of inzicht, zijn motivatie groter is om zich die kennis eigen te maken. De professionele begeleider maakt leerlingen alert op wat ze nog niet weten, zodat ze hun inzicht kunnen verdiepen. “Een goede leraar stelt leerlingen wedervragen.”
Het Nieuwe Leren vergt ook een andere manier van toetsing. Ook dit stelt nieuwe eisen aan de professionaliteit van de docent. Doordat docenten verschillende rollen op zich nemen, kunnen zij zich ook in een bepaalde functie specialiseren. Tot slot draagt het bij aan de professionaliteit van de docent als het gewoon wordt dat zij elkaar beoordelen. Zo is op het Koningin Wilhelmina College (vmbo, havo en vwo) in Culemborg het zogenaamde duo-leren ingevoerd. Het is een vorm van intervisie waarbij twee vakcollega’s besluiten samen hun didactisch handelen te verbeteren.
Deze toegenomen aandacht voor pedagogiek, didactiek en onderwijskunde is de tegenstanders van het Nieuwe Leren juist een doorn in het oog. Martin Sommer ontdekte tot zijn schrik dat de Onderwijsraad had geconstateerd dat studenten aan de lerarenopleidingen 80 procent van hun tijd besteden aan didactiek, pedagogiek en onderwijskunde. Maar een vijfde van de tijd zit in de vakinhoudelijke scholing. Voor een getergde wiskundeleraar was het tijd voor radicale maatregelen: “Het is een schandaal zoals het Nederlandse onderwijs wordt verwoest. Ja, er moet een parlementaire enquête komen. En vervolgens moet onderwijskunde als studierichting worden afgeschaft.”
Twistpunt 3: Niet kennis tegenover vaardigheden, maar de strijd om het type kennis en de soort vaardigheden.
De tegenstanders van het Nieuwe Leren zien zichzelf als hoeders van de kennis. Ze keren zich tegen het idee dat kennis veroudert en dat je feiten makkelijk kan opzoeken. Klachten van vervolgopleidingen of werkgevers over het kennistekort van leerlingen zien zij als bewijs voor het failliet van het Nieuwe Leren. Zo bleek uit onderzoek van de Universiteit Twente dat slechts 4 procent van de nieuwe eerstejaars voldoende wiskundekennis heeft om aan zijn opleiding te beginnen. En dan is wiskunde nog een vak waarbij Nederlandse leerlingen bij internationale vergelijkingen goed scoren. Ook het nieuws dat driekwart van de Pabo-studenten die van het MBO kwamen de rekentoets niet haalde, werd gezien als het bewijs van het eigen gelijk.
Voorstanders van het Nieuwe Leren ontkennen helemaal niet het belang van kennis. Maar kijken meer naar de gebruikswaarde van kennis. Ze benadrukken dat leerlingen sommige dingen tegenwoordig beter kunnen. Zo blijkt uit de Periodieke Peiling van het Onderwijsniveau (PPON) dat leerlingen op het einde van de basisschool slecht scoorde op traditionele vaardigheden als vermenigvuldigen, maar het veel beter te doen op het schattend rekenen. Bij dat laatste onderdeel moet een leerling heel snel uitrekenen wat ongeveer de uitkomst van een som zal zijn. Volgens een brievenschrijver geldt dat ook voor geschiedenis. “Ze kennen minder jaartallen, maar snappen meer van de wereld.” Het gaat dus niet om kennis versus onwetendheid, maar een bepaald type kennis versus een ander type kennis.
Voor de benodigde vaardigheden geldt hetzelfde. Het is niet zo dat alleen de voorstanders van het Nieuwe Leren vaardigheden van belang hechten. Voor- en tegenstanders hechten alleen aan andere vaardigheden. De voorstanders benadrukken het belang van het vermogen tot samenwerken en van reflectie op de eigen ontwikkeling. Tegenstanders benadrukken het belang van onderwijs bij karaktervorming. Zoals Ad en Marijke Verbrugge schrijven over de leerling op een ideale school. “Zijn scholing omvat dan niet alleen vakkennis, maar ook doorzettingsvermogen, zelfbeheersing, concentratie, creativiteit en de ontwikkeling van een realistisch zelfbeeld. Een inhoudelijke scholing geeft bij uitstek de mogelijkheden voor zelfontplooiing.” Leerlingen moeten leren dat je soms dingen moet doen niet leuk zijn. Ze moeten leren om hun behoeften bevrediging uit te stellen. Dat moeten ze later in het leven ook. Wie zijn eigen ‘luimen’ als leidraad neemt voor zijn handelen doet zichzelf tekort. De strijd tussen de voorstanders en de tegenstanders van het Nieuwe Leren wordt dus ten onrechte vaak getypeerd als een tegenstelling tussen vaardigheden versus kennis.
Nieuwe Leren past in reeks van bovenaf opgelegde onderwijsvernieuwingen
Tegenstanders van het Nieuwe Leren stellen het Nieuwe Leren graag voor als de laatste van een serie desastreuze onderwijsvernieuwingen. De Middenschool, de basisvorming, het studiehuis en de invoering van het vmbo worden erbij gehaald. Sommige criticasters halen er zelfs de invoering van de Mammoetwet bij. De overeenkomst zou zijn dat het allemaal van boven opgelegde vernieuwingen waren waar de mensen uit de praktijk niet op zaten te wachten. Het zijn even zovele voorbeelden van een overdreven geloof in de maakbaarheid van de samenleving. Het kan goed zijn dat mensen uit het onderwijs zich overvallen voelden door de opeenvolgende onderwijsvernieuwingen. Maar daarmee houdt de overeenkomst wel op. Het is veel te gemakkelijk om de diverse vernieuwingen samen te vatten als opeenvolgende pogingen tot nivellering. Dat gold misschien wel voor de Middenschool of de basisvorming, maar niet voor het Nieuwe Leren. Daarbij is het doel nadrukkelijk om verschillen niet weg te moffelen, maar juist om ze recht te doen. Toch komt het verwijt van nivellering terug, omdat het Nieuwe Leren de oorzaak zou zijn van de daling van het aantal academisch gevormde leerkrachten.
Een nog belangrijker verschil tussen het Nieuwe Leren en eerdere onderwijsvernieuwingen is dat er nooit een decreet uit Den Haag is gekomen om het Nieuwe Leren in te voeren. Leo Prick erkent dat ook. De vernieuwingen komen nu niet uit Den Haag, maar van de schoolbesturen. Van de nieuwe kleine zoetermeertjes zoals Prick ze noemt. Ook Pieter Hettema, de directeur van Schoolmanagers VO, ziet juist dat het terugtreden van het ministerie van onderwijs de weg heeft vrijgemaakt voor de jongste onderwijsvernieuwingen: “Uit de resultaten van onze Innovatiemonitor blijkt dat een overweldigend aantal scholen bezig is met onderwijsvernieuwing - juist omdat de grote stelselwijzigingen verleden tijd zijn. Hoe sneller de gedetailleerde regels van het Ministerie van Onderwijs opgeruimd worden, des te eerder en beter lukt het schoolleiders en schoolbesturen om, samen met de docenten, ouders, leerlingen en maatschappelijke omgeving, een nieuwe eigentijdse invulling te geven aan vernieuwend en ondernemend onderwijs.” Als docenten het gevoel hebben dat onderwijsvernieuwingen hen worden opgedrongen, is de bron een stuk dichterbij dan Den Haag.
Mensbeelden van voor en tegenstanders van het Nieuwe Leren
In september 2005 constateert Kees Beekmans dat journalisten en columnisten over het algemeen weinig niks moeten hebben van het Nieuwe Leren. “Misschien doet het Nieuwe Leren ze denken aan de jaren zestig en zeventig, een tijdgeest die haaks op de huidige staat en nu als achterhaald en belachelijk geldt.” Volgens Beekmans stelt dat achter het debat over het Nieuwe Leren botsende wereldbeschouwingen en mensbeelden schuil gaan. De criticasters van het Nieuwe Leren associëren de onderwijsvernieuwing met een vrijheid-blijheid cultuur en met een drang tot nivelleren. Een brievenschrijver ziet Jean Jacques Rousseau als de eigenlijke geestelijke vader van het Nieuwe Leren. Deze Franse filosoof meende immers dat opvoeding en onderwijs alleen maar belemmeringen zijn voor de natuurlijke ontwikkeling van kinderen.
Voorstanders van het Nieuwe Leren herkennen zich niet in de kritiek op de vrijheid-blijheid cultuur. Dat geldt alleen voor de Iederwijsscholen. Ze vinden wel dat je moet aansluiten bij de belevingswereld van de jongeren. Hoe relevanter kennis en vaardigheden zijn, hoe groter de motivatie van leerlingen. Voor de criticasters is dit aansluiten bij de belevingswereld van de leerlingen niets minder dan een capitulatie. “Inspirerende leraren ontsluiten de wereld, vooral voor kinderen die thuis weinig 'meekrijgen'. Een kind opsluiten in zijn zelfverkozen reservaat van games, msn, shoppen en stappen is gemakzuchtig. Ervan uitgaan dat alles wat niet direct 'herkenbaar' is, voor hem te hoog gegrepen zal zijn - dat is laatdunkend.” Hier is een echo te horen van de filosofie van Bint uit de roman van Bordewijk. De leraar moet niet bukken, de leerling moet omhoog reiken.
De criticasters ontwaren achter dit verlangen om aan te sluiten bij de belevingswereld van kinderen een consumentenlogica. Woorden als vraagsturing suggereren dat de leerling of zijn ouders de eigenlijke klanten van het onderwijs zijn en dat de klant koning is. Degene die onderwijs aanbiedt moet in de marktlogica aansluiten bij de belevingswereld van de consument. Het is toegeven aan de Mona-cultuur waarin alles smeuïg, luchtig en licht verteerbaar moet zijn.
De tegenstrijdige mensbeelden blijken ook uit de vaardigheden die het onderwijs leerlingen moeten bijbrengen. De voorstanders van het Nieuwe Leren streven naar sociale vaardigheden. Leerlingen moeten leren samenwerken. Ze moeten leren om hun gedachten te verwoorden. Ze moeten creatief en mondig leren zijn. Ze moeten kunnen reflecteren op hun eigen gedrag en op dat van anderen. De voorstanders van het traditionele leren streven niet naar sociale vaardigheden, maar naar karaktervorming. “Juist waar extra tijd en aandacht nodig zijn om zelfbeheersing, concentratie en discipline op een aanvaardbaar peil te brengen, bestaat de neiging toe te geven aan de verminderde vermogens van leerlingen op dit gebied en van lieverlee zelfs te beweren dat ze ook niet zo belangrijk zijn.” Het is juist goed om te leren door een zure appel heen te bijten. Volgens Leo Prick is de kritiek op het oude leren dat het saai is en dat leren voor later is. Maar dat is alleen een probleem voor leerlingen die uit zijn op onmiddellijke behoeftebevrediging. En dat moet je helemaal niet stimuleren, want mensen die hebben geleerd om hun behoeftebevrediging uit te stellen zijn in het leven succesvoller en kunnen beter omgaan met stress. “Dat gevoel voor uitstel van beloning kan worden ontwikkeld door kinderen niet altijd hun zin te geven en hun het vertrouwen te geven dat, als hun iets wordt beloofd, die belofte ook wordt nagekomen.” Juist door kinderen te vormen, geef je ze later vrijheid. Geef je ze bij voorbaat de vrijheid, dan blijken ze later niet over de vermogens te beschikken om iets van hun leven te maken.
De conflicterende mensbeelden schuilen ook in de houding ten opzichte van straffen en corrigeren. Martin Sommer schrijft dat in het Nieuwe Leren het rode potlood taboe is. Het idee is dat je het goede moet belonen en niet het verkeerde moet bestraffen. Het zou demotiverend zijn als overal een rode streep doorheen staat. “Als je het mij vraagt, is het in pedagogische kring een tamelijk wijdverbreid inzicht dat kinderen niet teveel teleurgesteld moeten worden. Dat is slecht voor de kinderziel.” Deze softe aanpak leidt ertoe dat de eisen worden verlaagd en men met steeds minder genoegen neemt.
Aanhangers van het Nieuwe Leren geloven daarentegen dat het fnuikend is voor de motivatie als leerlingen het gevoel hebben dat ze waardeloos zijn. Dus schrijft Beekmans dat hij het als zijn grootste taak ziet om kinderen hun eigenwaarde terug te geven. “Ze ontwikkelen hun eigen talenten, ze doen vooral dat waar ze goed in zijn. Ze moeten succes hebben, het gevoel krijgen dat ze ook wat waard zijn.”
Criticasters van het Nieuwe Leren verwijten de aanhangers naïviteit. Ze hebben een volstrekt geïdealiseerd beeld van de gemiddelde leerling. Grappig genoeg maken de aanhangers van het Nieuwe Leren de voorstanders van het traditionele onderwijs een spiegelbeeldig verwijt. Zij idealiseren niet de leerling maar de docent. Zij hebben het idee dat elke leraar de inspirerende vakdocent is die ongeïnteresseerde leerlingen kan inwijden in het vakgebied. De criticasters van het Nieuwe Leren geloven dat het onmogelijk is om alle noodzakelijke lesstof via projecten of met probleemgeoriënteerde onderwijs te behandelen. Criticasters van de Vereniging Beter Onderwijs Nederland geloven dat het naïef om te denken dat je terug naar vroeger kan. Het is ondoenlijk om homogene klassen te maken.
Ontmaskeringen
In diverse bijdragen aan het debat worden niet zozeer argumenten ingebracht, maar wordt geprobeerd om de verborgen bedoelingen van tegenstanders bloot te leggen. Ze zeggen wel dat de kwaliteit van het onderwijs ze aan het hart gaat, maar eigenlijk hebben ze een hele andere agenda. Zo wordt de vereniging Beter Onderwijs Nederland verweten dat ze eigenlijk een belangengroep zijn voor eerstegraads leraren. “Onder het mom van onderwijsverbetering strijden de auteurs in feite voor de belangen van één groep: de leraren. En ondanks hun fulmineren tegen structuurverandering, willen ze daarvoor het hele systeem op zijn kop zetten. Eigenlijk gaat het om een elite onder de leraren. Want die gekoesterde vakspecialist kwam ook vroeger maar in een klein deel van het onderwijs voor. In het vroegere ulo/mulo/lbo/vbo en huidige vmbo kwamen zulke leraren niet voor.” De vereniging heeft het niet zo zeer over de kwaliteit van het onderwijs en schetst evenmin een realistisch toekomstbeeld, het vertolkt slechts de gekrenkte trots van docenten. De vereniging verwoordt hun ‘beroepszeer’.
Een andere ontmaskering is dat het Nieuwe Leren voortkomt uit een opstand van de dommen tegen de slimmen. Het is een rancuneleer. Het is een poging om het belang van kennis onderuit te schoffelen. “Aan de meeste onderwijsvernieuwingen hangt een geur van kennis-deugt-niet.” En als er geen onderscheid meer kan worden gemaakt tussen wat waar is en wat niet waar is, tussen iemand die verstand van zaken heeft en iemand die maar wat voor zich uit kletst, is iedereen gelijk. En daar is het de kennishaters om te doen. Het is een ideologie van nivellering.
De meest naar voren gebrachte ontmaskering is echter dat alle onderwijsvernieuwingen in feite verkapte bezuinigingen zijn. “En ten slotte zijn er de (hoge)scholen waar de besturen, die in het verleden nooit betrapt konden worden op enige affiniteit met onderwijs, zich, met de nieuwverworven autonomie, plotseling ontwikkeld hebben tot pleitbezorger van een of andere vorm van onderwijsvernieuwing. En daarbij valt de keuze dan toevallig altijd op vernieuwingen waarbij minder leraren nodig zijn, of waarbij het niveau van hun opleiding er niet toe doet, of waarbij hun rol dusdanig wordt beperkt dat een lagere inschaling gerechtvaardigd is.”
Woordenstrijd
Het debat over het Nieuwe Leren is niet alleen een uitwisseling van argumenten. Het is ook een woordenstrijd. Voor- en tegenstanders hebben een zeer verschillend taalgebruik. Voorstanders van het Nieuwe Leren lijken om hun onderwijsvernieuwingen onder woorden te brengen ook een nieuwe taal te hebben moeten ontwikkelen. Hun stukken staan vol neologismen, zoals competentiegericht onderwijs, een contextrijke of een activerende leeromgeving, de leerling is ‘zelfverantwoordelijk’. En dan is er ook nog hersenvriendelijk, zelfontdekkend en dieper leren. De tegenstanders van het Nieuwe Leren hebben daarentegen een voorkeur voor ouderwetse woorden en beelden. Het onderwijs moet niet tegemoet komen aan de ‘luimen’ van de leerling. En docenten moeten de schroom van zich afwerpen om het rode potlood te hanteren.
Ook de toon van de stukken loopt uiteen. Voorstanders van het Nieuwe Leren stellen zich kwetsbaarder op. Ze erkennen dat ze zoekend zijn. Ze weten dat het op de oude manier niet meer gaat, maar hebben geen haarscherp beeld van hoe het dan wel moet. Ze beschrijven het alternatief in algemene termen. De tegenstanders benoemen daarentegen heel concrete voorbeelden van misstanden van het Nieuwe Leren, zoals het plan van een mbo opleiding om het vak Nederlands te schrappen. Hun stijl is niet tastend, maar eerder sarcastisch. “Als in een werkstuk een passage te vinden is die helemaal in correct Nederlands geschreven is, gaat het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid om plagiaat.” En door al die werkstukjes en al dat gegoogel kan het Nieuwe Leren het best worden omschreven als ‘Montessori met een muisarm.”
Hoe verder?
In het debat wordt het Nieuwe Leren lijnrecht tegenover het traditionele leren gezet. In de praktijk is er sprake van een glijdende schaal van een meer of minder traditionele inrichting van het onderwijs. Aan de uiteinden staan de idealistische varianten. Aan de ene kant zijn dat de iederwijsscholen of het Unic, aan het andere uiterste staat het ideaal van de vereniging Beter Onderwijs Nederland met homogene klassen en grote autonomie voor de individuele vakdocent. Daar tussenin overheerst vooral het pragmatisme. Hoe kan recht worden gedaan aan de verschillen tussen de leerlingen? Leerlingen verschillen in interesse, aanleg en leervermogen. Bovendien verschilt dat voor verschillende fasen van hun ontwikkeling. Het domste wat je volgens Kars Veling, directeur van het Haagse Johan de Witt College, kan doen is om ze allemaal in hetzelfde programma te dwingen. “Voor sommige leerlingen motiveert een lange-termijnideaal van studie, wellicht gekoppeld aan een maatschappelijk ideaal. Sommige leerlingen worden gemotiveerd door praktisch te werken, misschien al door een verbinding met een concrete werkplek in een instelling of bedrijf. Sommige leerlingen hebben meer tijd nodig om te leren, bij voorbeeld omdat ze een achterstand hebben in hun taalontwikkeling. Sommige leerlingen hebben door een persoonlijkheidsprobleem extra zorg nodig. En er zijn leerlingen die moeten leren zich te gedragen en die voor kortere of langere tijd niet in een gewone schoolsetting kunnen functioneren. En in alle gevallen is het de kunst van scholen en van afdelingen van scholen om een didactische aanpak te vinden die motiveert.”
Een gevaar van een pragmatische aanpak is dat uit het zicht verdwijnt hoe de verschillende initiatieven beoordeeld moeten worden. Is alles wat motiveert goed? Voorstanders beperken zich er dan toe om te zeggen dat ze het onderwijs eigentijds willen maken. Maar dat iets van deze tijd is, is geen argument waarom het goed of slecht is.
Nieuwe doelstellingen: Aspiratie, Variëteit, Binding
Aspiratie
In het onderwijs mag nooit gemakzucht en vrijblijvendheid heersen. Het onderwijs leerlingen interesses wekken die ze niet uit zichzelf hebben. De leerling moet omhoog reiken. In het onderwijs moet uitblinken niet worden afgeremd, maar juist worden beloond. Zeker in een kenniseconomie is het van het grootste belang dat ieders talenten optimaal worden ontwikkeld. Daarom is het ernstig dat het aantal leerlingen dat zijn vwo diploma haalt harder daalt dan op basis van demografische cijfers verwacht mag worden. Daarom is het ernstig dat Nederland Europees koploper is in schooluitval. Het onderwijs moet een emancipatiemachine zijn. Het moet een voertuig zijn van sociale stijging. In het onderwijs moeten leerlingen die van huis minder hebben meegekregen hun achterstand kunnen wegwerken. Het is onaanvaardbaar dat er op twaalfjarige leeftijd een tweedeling ontstaat met aan de ene kant de vmbo leerlingen en aan de andere kant de havo/vwo leerlingen en dat het wel mogelijk is om naar beneden te struikelen, maar schier onmogelijk is om omhoog te klauteren. Het doel van het onderwijs is dus om ieders talenten optimaal te ontwikkelen en te benutten. Welke onderwijsmethode en welke inrichting van het onderwijs daarvoor het meest geschikt is, valt niet op voorhand te zeggen. Daar is ook niet één oplossing voor. Verschillende leerlingen hebben baat bij verschillende vormen onderwijs.
Variëteit
Over één ding zijn voor- en tegenstanders van het Nieuwe Leren het hartgrondig eens en dat is het belang van variëteit. Als diverse scholen de vrijheid krijgen om hun eigen onderwijs te ontwikkelen, ontstaan er vanzelf verschillen. Niet alleen tussen traditionele en vernieuwende scholen, maar ook binnen de vernieuwende scholen. Het Nieuwe Leren is immers een verzamelterm voor allerhande veranderingen. Er zijn scholen die werken aan integratie van vakken, aan teamvorming en intervisie, aan samenwerking met bedrijven en ROC's, die zich specialiseren in bèta-techniek en 'junior-colleges' die samenwerken met het hoger onderwijs. De onderwijsinspectie heeft dan ook geconstateerd dat de variatie nog nooit zo groot is geweest. Die variëteit is alleen maar goed. Dan kunnen ouders en leerlingen zelf bepalen welke vorm van onderwijs het beste bij ze past. Variëteit tussen instellingen is een goede manier om recht te kunnen doen aan de verschillen tussen leerlingen.
Toch zijn er nog wel belemmeringen voor variëteit. In haar manifest klaagt de vereniging Beter Onderwijs Nederland dat het oprichten van een nieuwe school uitermate moeilijk is. “Dankzij de regelgeving van de overheid (zoals de stichtingseisen die het nagenoeg onmogelijk maken een kleinschalige onderwijsinstelling te beginnen met publieke middelen) wordt tevens voorkomen dat andere partijen tot de zogenoemde 'onderwijsmarkt' kunnen toetreden. Alle grote woorden van concurrentie en marktwerking ten spijt, is er in ons onderwijs nu juist veel te weinig sprake van werkelijke keuzevrijheid en concurrentie tussen instellingen.”
In het mbo is de schaalgrootte van de onderwijsinstellingen een belemmering voor diversiteit. Als een grote instelling een uitgesproken onderwijsfilosofie aanhangt komt de diversiteit van de opleidingen in een regio al snel onder druk komt te staan. Wie aan diversiteit hecht, zal de conglomeraten daarom moeten opbreken of openbreken. In het eerste geval ontstaan kleinere instellingen, in het tweede geval komt er veel meer diversiteit binnen de conglomeraten, waarbij verschillende benaderingen van het onderwijs binnen één instelling naast elkaar bestaan.
Een grotere variëteit en keuzevrijheid is een voorwaarde voor verbetering van het onderwijs. Daarnaast moet er meer kennis komen over welke vernieuwing wel en welke niet werkt. Die kennis ontbreekt nu. Het is opvallend dat er in het debat over het Nieuwe Leren voor bijna alle argumenten van de voor en de tegenstanders nauwelijks empirisch bewijsmateriaal bestaat. Zo wordt bijvoorbeeld beweerd dat het Nieuwe Leren de interesse onder jongeren voor bèta-vakken stimuleert omdat het beter in staat is om de relevantie en de betovering van wiskunde, natuurkunde en scheikunde over te brengen. Het is een originele claim, maar is het waar? We weten het niet. Een meerjarige en grootschalige vergelijking tussen leerlingen van het Nieuwe Leren en het traditionele leren ontbreekt. De Onderwijsraad heeft gepleit voor onderwijsvernieuwingen die Evidence Based zijn. In de geneeskunde worden nieuwe medicijnen alleen toegelaten als de werking ervan bewezen is. Dat gebeurt nu in het onderwijs niet. De Onderwijsraad pleit voor deugdelijk opgezette experimenten waarbij de werking van een vernieuwing getoetst kan worden. Het is daarom ook raadzaak om niet allerlei vernieuwingen tegelijk in te voeren, want dan is het onmogelijk om de werking van de afzonderlijke onderdelen te onderzoeken.
Binding
In een column getiteld misverstand stelt Leo Prick dat hij in tegenstelling tot wat mensen denken helemaal niet tegen elke innovatie in het onderwijs is. Hij keert zich wel tegen de tendens om veranderingen door te voeren zonder de mensen uit de praktijk daarbij te betrekken.”Geen enkele vernieuwing kan slagen als de mensen die moeten uitvoeren er geen vertrouwen in hebben.”
Bestuurders onderschatten hoe lastig het is voor docenten om een andere rol op zich te nemen. Ze krijgen amper begeleiding en bijscholing. Een ander type onderwijs vraagt ook om andere schoolgebouwen. Ook daaraan schort het vaak. Er is heel weinig aandacht voor de noodzakelijke randvoorwaarden om een onderwijsvernieuwing te laten slagen. Werken in groepjes kan zinnig zijn, maar alleen als de deelnemers een vergelijkbaar niveau en instelling hebben. Werken aan een project kan motiverend zijn, maar als er geen enkel verband wordt gelegd met de leerstof is het leerrendement laag. En het helpt ook niet als docenten over taalfouten heenstappen omdat de inhoud van het project belangrijker is.
Er is kortom veel te gemakkelijk gedacht over het doorvoeren van onderwijsvernieuwingen. Het gevolg is dat niet alleen docenten protesteren. Het vertrouwen onder de bevolking over de ontwikkelingen in het onderwijs is ook afgenomen. Bijna tachtig procent van de Nederlandse bevolking verwacht dat in 2020 het zogeheten Nieuwe Leren op de basis- en middelbare scholen is ingevoerd, zo blijkt uit het laatste rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Slechts 29 procent vindt dit wenselijk. Er woedt een geloofsstrijd in het onderwijs. Het is ook opvallend dat in het debat over het Nieuwe Leren leerlingen en studenten op een verdwaalde zin in een reportage na niet aan het woord komen. Ook ouders houden zich stil.
Binding is echter niet alleen van belang bij het doorvoeren van onderwijsvernieuwingen. Het is ook een doel van het onderwijs zelf. Leerlingen gaan niet alleen naar school omdat ze zo geïnteresseerd zijn in de lesstof, maar omdat ze zich verbonden voelen met medeleerlingen. Wie schooluitval wil tegengaan moet zorgen dat leerlingen niet alleen binding voelen met elkaar, maar ook met de school. Een grootschalige, anonieme bureaucratische organisatie van het onderwijs is desastreus voor deze binding. Individuele aandacht is noodzakelijk. Dat kan zowel in traditioneel als in vernieuwend onderwijs, maar het stelt wel eisen aan de school. Een te grote zelfwerkzaamheid is slecht voor de binding met de school. Of zoals Ankie Verlaan van de Hogeschool van Amsterdam het stelt: “Twee uur college per dag is niet genoeg. Er moet meer ondersteuning komen. Een hogeschool moet een plaats zijn waar studenten zich thuis voelen. Een 18-jarige heeft binding nodig met docenten en medestudenten.”
Niet alleen leerlingen moeten die binding ervaren, maar ouders ook. Kees Beekmans gelooft dat het op zijn praktijkschool alleen wat wordt als ook de ouders bij de school worden betrokken. Als scholen er niet in slagen om docenten, ouders en leerlingen aan zich en aan elkaar te binden, zal Nederland nog lang de Europese koploper schooluitval zijn en komt er weinig terecht van die veel geroemde kenniseconomie.