Maar juist door de uitvergroting wordt zichtbaar wat de grootste angst is. Tegenstanders van het Nieuwe Leren vrezen vrijblijvendheid, voorstanders van het Nieuwe Leren zijn bang voor passiviteit. Het onderwijsbeeld wordt bepaald door de statements van ‘de uitersten’. Het onderwijs staat dag na dag te kijk. De polemiek vergroot de tegenstellingen. Diverse mensbeelden liggen ten grondslag aan de uitlatingen. In de discussie schieten mensen derhalve nauwelijks raak. En een dialoog tussen mensen die vanuit en ander paradigma hun verhaal houden, lijkt ook nauwelijks mogelijk. Maar wat dan?
De voor- en tegenstanders
De voor- en tegenstanders van Het Nieuwe Leren baseren zich op andere kenmerken en kernpunten van het onderwijs. De voorstanders zijn moeilijk in één naam te noemen. Het kenmerk van HNL is dat veel verschillende vormen ontstaan. De tegenstanders lijken zich op dit moment het duidelijkst verenigd in ‘Beter Onderwijs Nederland.’ Hilhorst schetst in zijn essay een boeiend overzicht van de voor- en tegenstanders. Zo wordt duidelijk dat de voorstanders zich als aanleiding voor de logische veranderingen beroepen op het gebrek aan motivatie van de leerlingen en vinden dat ze moeten begrijpen waarom ze iets moeten leren. De tegenstanders vragen zich af of leerlingen twintig jaar geleden wel overliepen van enthousiasme en stellen vast dat het uitstellen van behoeftebevrediging goed is. De voorstanders zien de burn-out-klachten van leerkrachten toenemen, omdat leerlingen zich niet meer laten schikken naar het traditionele model, terwijl de tegenstanders de klachten wijten aan het feit dat hen het vak is afgenomen. Beiden hebben moeite met de gebrekkige aansluiting op het vervolgonderwijs. De voorstanders zoeken de oplossing bij de motivatie en zelfstandigheid, de tegenstanders bij het trainen van de kennisbasis. Voorstanders verwijten de tegenstanders dat zij de inspirerende leerkracht idealiseren. Andersom worden vragen gesteld bij de mogelijkheid om alle kinderen zelfstandig te kunnen laten werken.
Uitgangspunten
De voor- en tegenstanders van Het Nieuwe Leren benoemen cruciale verschillen met betrekking tot hun uitgangspunten en de consequenties ervan. De voorstanders vertrekken vanuit een ideologie en stellen de leerling centraal. De tegenstanders zetten de leerstof centraal en verwijten een model van bezuinigingen en van boven af opgelegde maatregelen. De voorstanders gaan uit van heterogeniteit, diversiteit en realiteit. De tegenstanders streven naar homogeniteit en een direct instructiemodel als meest effectieve overdrachtsvorm. Terwijl de voorstanders werken aan sociale vaardigheden, proberen de tegenstanders karaktervorming bij te brengen. Voorstanders werken met name vanuit pedagogische en didactische principes aan de gebruikswaarde van de kennis. Daarentegen werken de tegenstanders aan de vakinhoud en maken zich zorgen om het feit dat veel kennis niet simpelweg is op te zoeken. De voorstanders willen theorie en praktijk zo veel mogelijk koppelen, maar de tegenstanders stellen dat het verschil tussen (overwegend) theoretische en (overwegend) praktische opleidingen moet worden gehandhaafd, dan wel hersteld. Over de manier van communiceren vallen ook enkele verschillen op. De voorstanders leveren veel neologismen en zijn kwetsbaar,de tegenstanders daarentegen bezigen ouderwets taalgebruik en laten zich niet zelden sarcastisch uit.
De overeenkomsten
Over een drietal items lijken de voor- en tegenstanders van het Nieuwe Leren het eens te zijn: ambities, variëteit en binding. In het onderwijs mag nooit gemakzucht en vrijblijvendheid heersen. Uitblinken mag niet worden afgeremd, maar moet juist worden beloond. Als diverse scholen de vrijheid krijgen om hun eigen onderwijs te ontwikkelen, ontstaan er vanzelf verschillen. Niet alleen tussen traditionele en vernieuwende scholen, maar ook tussen de diverse vernieuwende scholen. Over het belang van binding is de overeenstemming evident. Leerlingen gaan niet alleen naar school omdat ze zo geïnteresseerd zijn in de lesstof, maar omdat ze zich verbonden voelen met hun medeleerlingen. Wie schooluitval wil tegengaan, moet ervoor zorgen dat leerlingen niet alleen binding voelen met elkaar, maar ook met de school. Een grootschalige, anonieme bureaucratische organisatie van het onderwijs is desastreus voor deze binding. Individuele aandacht is noodzakelijk. Dat kan zowel in traditioneel als in vernieuwend onderwijs. De analyse legt bloot wat succesvol zou kunnen zijn voor elke vorm van onderwijs. In de analyse lijken aan beide kanten plausibele argumenten door te klinken. De kern van het probleem ligt naar mijn mening dan ook in de taal van de polemiek zelf. Voor- en tegenstanders verdringen zich om in statements hun gelijk te halen. Maar hoe kan dit politieke spel gewonnen worden met ‘gelijk’ als variëteit en binding gezamenlijk onderkende kernwaarden zijn.
Pijnlijke polemiek
De polemiek is niet alleen polariserend. De discussie voert bovendien mensen op die hun persoonlijke leed etaleren. Maar wat bindt die mensen aan de uiteinden van de ideologische stromingen? Met andere woorden: hoe pijnlijk is het voor de initiatiefnemers van Iederwijs om zoveel gefrustreerde leerkrachten en ouders aan te trekken die niet de kernwaarden van de vernieuwing in hun hart dragen, maar verbitterd zijn door situationele trauma’s. Hoeveel initiatieven zijn niet gesneuveld op het uitspreken van de intenties die er werkelijk toe doen. Ouders en leerkrachten die zijn vastgelopen willen ‘het tegenovergestelde’. En dan blijkt de praktijk net even weerbarstiger. Ook onder zogenaamde ‘gelijkgestemden’.
En hoe schrijnend moet het zijn voor BON dat de sympathisanten van hun beweging niet louter bestaan uit enthousiaste, passievolle vakdocenten. Maar al te vaak bedienen zij zich van argumenten die moeten verhullen dat zij hun leerlingen juist niet hebben kunnen boeien met hun vak. En dat de pijn dus niet alleen gelegen is in het feit dat hen ‘hun vak is afgenomen’, maar ook in de mislukte interactie met hun leerlingen. Hoogopgeleide docenten hebben lang het alleenrecht gehad in de docentenkamer. En niet alleen de zich veranderende systemen. hebben hen van hun troon geworpen. Een starre houding en het niet geïnteresseerd zijn in wat er in hun leerlingen omgaat, is hen lelijk opgebroken.
Het mensbeeld achter het onderwijs
Om de voors en tegens zorgvuldig te kunnen plaatsen is het van belang te vertrekken vanuit het mensbeeld achter het onderwijs. Onderwijs is slechts de vorm waarin men intenties tracht te realiseren. Laten we de klaspraktijk voor ogen houden. De leerkracht en de leerling zijn geen objecten (voorwerpen) maar subjecten (onderwerpen). Ze beïnvloeden elkaar en interpreteren het gedrag van de ander, uitgaand van een persoonlijke zienswijze of smaak. De leerling gedraagt zich bij elke leerkracht op een dusdanige manier, waarbij hij zich intuïtief het beste redt. Andersom is dat ook zo. Beiden vertonen voortdurend het meest adequate gedrag. Een veelheid van factoren bepaalt welke vermogens worden aangesproken en welk gedrag tentoon wordt gespreid. Mensen beïnvloeden elkaar en dus reageren kinderen ook bij elke leerkracht anders. Kinderen weten ‘dit kan wel bij hem, maar niet bij haar.’ In mijn opinie is een constructivistisch mensbeeld vanzelfsprekend. Mensen verschillen van elkaar. Dus uniciteit en diversiteit zijn evident. Differentiatie is geen vraagstuk, maar een vanzelfsprekendheid. Daarmee is niet gezegd dat alle klassikale vormen van onderwijs in de prullenbak moeten, maar het stelt vragen aan het totale onderwijsaanbod.
Een authentieke leerkracht
In de discussie over onderwijsveranderingen stellen we wel de wat-vraag, hoe-vraag en waarom-vraag, maar vaak niet de relevante wie-vraag. Leerlingen herkennen in eerste instantie niet de leerkracht als persoon. Ze ervaren de persoon die in het omhulsel van zijn functie schuilt. En dat is iemand waar je graag mee te doen hebt, iemand waar je ‘geen last van hebt’, of iemand waar je niet graag mee te doen hebt. De manier waarop het contact is opgebouwd, bepaalt de mate waarin de leerkracht zijn onderwijsinhouden kan inzetten. Kinderen ‘weten’ direct of je meent wat je zegt; ze voelen heel snel of je echt bent en reageren dienovereenkomstig. Onderwijs is een ruimte die gecreëerd is voor een gemeenschappelijk zoeken naar waarheid. Daarvoor is een authentieke leerkracht voorwaardelijk. En die zijn er in alle denkbare verschijningsvormen.
Alleen voorstanders
Als de hoge ambities gehaald kunnen worden door verbondenheid te creëren en variëteit aan te bieden, dan moet er dus ruimte komen voor voorstanders van systemen. Met andere woorden: Een schoolgemeenschap zou niet continu moeten bestaan uit voor- en tegenstanders van het systeem, maar uit voorstanders van de gezamenlijk geformuleerde waarden. Dat gebeurt nauwelijks, omdat er nagenoeg uitsluitend over normen wordt gesproken. Waarden zijn zedelijke, esthetische of persoonlijke betekenissen van iets. Normen zijn de manieren van handelen waarnaar een categorie van personen zich kan of moet richten. De normen zouden afgeleid moeten zijn van de waarden. De waarden expliciteren de belangrijkste intenties die leerkrachten in hun onderwijs willen realiseren.
Verantwoorden
Voor de authentieke leerkracht is het nog steeds mogelijk de talenten van leerlingen maximaal tot wasdom te laten komen. Sommige leerkrachten willen louter geobjectiveerde kennis overbrengen. Zij beperken zich tot de feiten, niet beïnvloed door eigen gevoel of vooroordelen. De valkuil daarvan is dat het objectivisme zo geobsedeerd is door het beschermen van zuivere kennis, dat de leerlingen geen directe toegang krijgen tot het object van studie. De leerkracht die meer ingesteld is op een klassikale overdracht kan zich niet alleen verantwoorden met de toetsgegevens die korte tijd na de overdracht zijn geproduceerd. Hij zal zich moeten interesseren in ‘wat er zich aan de binnenkant bij de leerling afspeelt’.
Andere leerkrachten stellen de leerling als norm. Maar als de leerlingen zelf de norm zijn is het moeilijk om onwetendheid en vooroordelen te bestrijden bij individuele leerlingen of de groep. De leerkracht die meer autonomie verleent aan de leerlingen kan zich niet alleen verantwoorden op zijn gevoel voor samenwerken, oplossend vermogen etc. Hij zal zicht moeten hebben op het leerrendement.
Overstijgende kernwaarden
Wat is er dan nodig om in dat nieuwe gedifferentieerde onderwijslandschap nog te weten of de waarden die gezamenlijk worden onderschreven gehaald worden. Ofwel, wanneer benutten we elk talent? Het ErvaringsGericht Onderwijs ontwikkelt zich al dertig jaar als een niet-politiek concept. Het heeft kernwaarden uitgewerkt die niet ter discussie staan (en daarom de media vaak niet halen), maar die zich in een permanente dialoog verdiepen. Naast competenties heeft het ErvaringsGericht Onderwijs de kernwaarden welbevinden, betrokkenheid en verbondenheid inzichtelijk gemaakt. Het welbevinden van leerlingen moet in beeld zijn en positief beïnvloed worden om ervoor te zorgen dat factoren die ontwikkeling zouden kunnen belemmeren geminimaliseerd worden. Dat heeft niets te maken met het willen voorkomen van frustraties of conflicten. De betrokkenheid van leerlingen staat garant voor echte ontwikkeling. We weten dat kinderen voor een zesje kunnen werken, om vervolgens weer te vergeten waar ze toch al niet echt in geïnteresseerd waren. De betrokkenheid die leerlingen van zichzelf hebben kan gebruikt worden en leerkrachten kunnen leren om de kans op betrokkenheid te verhogen tijdens hun activiteiten. Dat kan bij projectwerk, maar ook bij instructies. Uiteindelijk is de sluitsteen van de onderwijsactiviteiten dat leerlingen verbonden raken met zichzelf, elkaar, de activiteiten en de schoolgemeenschap. Dat is zichtbaar én voelbaar in de sfeer. Verbonden schoolgemeenschappen worden bevolkt door leerkrachten en leerlingen die dezelfde intenties onderschrijven; waar mensen anders mogen zijn, maar elkaar waarderen om hun inbreng en inzet.
Niet beschikken
De kernwaarden welbevinden, betrokkenheid en verbondenheid kun je wel beïnvloeden, maar je kunt er niet over beschikken. Een leerkracht bepaalt niet of een leerling zich de stof eigen kan maken en evenmin of hij gelukkig wordt. Toch kan de authentieke leerkracht met passie voor zijn vak en oprechte interesse in zijn leerlingen de kans op het realiseren van deze waarden sterk vergroten. Maar wanneer weten we nou of we goed zitten met het vernieuwen of terugdraaien van ingezette veranderingen. Vooral aan het niveau van welbevinden, betrokkenheid en verbondenheid is af te lezen of een schoolgemeenschap slaagt in het realiseren van haar doelstellingen. Als de waarden in intenties zijn uitgedrukt en onderschreven worden door ‘alle voorstanders’ dan is er nog één ultieme toets. De leerlingen zullen in hun gedrag en verhalen dezelfde intenties moeten uitdrukken. In scholen die zo geconceptualiseerd zijn, kunnen leerling en leerkracht zich maximaal en prettig ontwikkelen. En daarmee worden conflicten en frustraties niet uit de weg gegaan.
Géén discussie en géén dialoog
De polemiek tussen de voor- en tegenstanders van Het Nieuwe leren is grotendeels onzinnig. Het argumentatieniveau is van een andere orde. BON heeft veel hoogopgeleide aanhangers uit de exacte wetenschap. De argumentatie van BON is over het algemeen niet gebaseerd op de ontwikkelings- en motivatiepsychologie. En die bibliotheek is de afgelopen honderd jaar toch aanzienlijk gevuld. De schooltijd waar de Bonners zelf zo tevreden op terugkijken, verhoudt zich slecht tot de lagere niveaus van het hedendaagse onderwijs. De aanhangers van Het Nieuwe Leren baseren zich voornamelijk op de zich voortdurend ontwikkelende inzichten in de menselijke ontwikkeling. De schooltijd waar zij op terugkijken heeft frustraties blootgelegd.
In de discussie verworden denkbeelden tot dogma’s en principes en met principes valt niet te discussiëren. Een principe is gestold. Voor een dialoog is een kennisbasis vereist; een context waarbinnen elkaars mensbeelden en ontwikkelingspsychologische opvattingen verstaan worden. Dat is in de verbale onderwijsoorlog nu niet aan de orde. Voor- en tegenstanders houden elkaar politiek actief. De discussie wordt daardoor onzinnig, de dialoog onmogelijk. De oplossing lijkt evident, maar is frustrerend voor iedereen die de hele wereld zou willen overtuigen van zijn gelijk. De oplossing is doorgaan. Allemaal doorgaan om de systemen waarin je gelooft vorm te geven. Dat houdt in dat je helder bent over je mensbeeld, je gedachten over ‘hoe mensen zich ontwikkelen’ en de over de vormen die dat maximaal ondersteunen. Dan worden ‘bewijzen’ gerelateerd aan de context waarvoor schoolorganisaties kiezen en dan valt er wat te kiezen. Dat kan niet worden gestandaardiseerd. Dat moet met hoge ambities, veel variëteit en een grote verbondenheid met alle betrokken in die organisaties. En dat waren toch de overeenkomstige uitgangspunten. We hebben vernieuwende verbinders nodig die niet de discussie met elkaar aangaan, maar die verder komen in het gesprek dat werkelijke ontwikkelingen bevordert. Ik zou niet weten wie we niet nodig hebben.
Niet voor of tegen. BON heeft een functie (anders bestond ze niet.)
Een docent Duits vertelde mij dat de meest interessante items van zijn vak geschrapt waren. Hij mocht zijn vak in ‘uitgeklede vorm’ doceren. Toen ik zei dat me dat vreselijk leek voor hem, reageerde hij: “Dat is al jaren zo. Ik heb 120 collega’s en jij bent de eerste die dat zegt.”
Ik wens deze man oprecht dat hij erkenning vindt bij BON
Niet voor of tegen. Iederwijs heeft een functie (anders bestond ze niet.)
Een ouder die vroeger veel gepest werd en ervoer dat dat haar kinderen ook overkwam, was radeloos. De school negeerde haar verhaal, vertelde ze mij. Ze vond “een hemel op aarde.”
Ik wens haar oprecht een geweldige tijd bij Iederwijs.
Backpackers
Voor mij persoonlijk is er nog een belangrijke reden om, ondanks alle onzekerheden, over te hellen naar de vernieuwers: Onzekerheid, kwetsbaarheid en enthousiasme trekt mensen aan ‘die er zin in hebben’. Dat is een stuk aantrekkelijker dan sarcasme.
Tijdens alle reizen die ik heb gemaakt over de wereld is het me opgevallen dat backpackers elkaar verhalen vertellen over waar het goed en mooi is, maar ook over wat ze allemaal beleefd hebben. De ‘georganiseerde reiziger’ is eerder geneigd om te klagen over wachttijden, tegenvallende maaltijden, niet gewenst uitzicht, etc. op basis van vooraf afgekochte verwachtingen. Ik ben graag op pad; onderweg met mensen die het niet zeker weten, maar zeker weten dat ze zich ontwikkelen omdat ze er zin in hebben!
Marcel van Herpen,
Projectleider centrum voor ErvaringsGericht Onderwijs Nederland
Medeoprichter en medewerker van het NIVOZ
Auteur van “ErvaringsGericht Onderwijs; van oriëntatie tot implementatie”