Meestal gebeurt dat in een meer of minder uitdagende ontmoeting. En dat is geen preek. Wanneer er sprake is van een goede coaching, blijkt die voor beide partijen, de coach en de gecoachte, een leerzame ervaring.
De essentie van coachen is om het beste uit mensen halen. En bet beste is natuurlijk gekleurd door de persoon zelf. Een tweede kenmerk van coaching is aansluiten bij wat de betreffende persoon al kan en niet bij wat die persoon allemaal níet kan. Er zal een duidelijke relatie moeten zijn tussen het ‘beste’ en wat er nu is. En een derde kenmerk is dat er ook uitdaging moet zijn. Het moet spannend zijn voor zowel de gecoachte als de coach om een bepaald pad te lopen. Dan doet zich een geleidelijke ontwikkeling of een ontwikkelingssprong voor. Maar aansluiten is nodig om de aanwezige sterke kant van de persoon te beklemtonen. Vooral de nadruk leggen op wat iemand niet kan, is preken.
Vaak beheersen mensen een groot arsenaal aan competenties. De ervaring leert dat ze deze vooral kunnen inzetten in één specifieke context, en niet in een andere of bredere context. Daardoor ontstaan er problemen of teleurstellingen. De betreffende persoon heeft redenen om die vertaalslag naar de nieuwe context of de nieuwe eisen niet te kunnen maken. Er zijn belemmeringen, verduisteringen. Dat kunnen emoties zijn (‘ik durf dat niet in deze context, die uitdaging is mij te groot, …’), dat kunnen cognities zijn (‘ik wil wel, maar ik weet in deze context niet hoe, ik denk dat de verwachtingen over mij te groot zijn, …’). Door die belemmeringen durft de persoon er niet ‘als geheel te zijn’. De coach zoekt in een dergelijke situatie (in eerste instantie) niets anders dan de sterke kant van de betreffende persoon en probeert samen met de persoon te onderzoeken hoe de aanwezige competenties in de specifieke context kunnen worden ingezet. Op dat moment gaat het er om om samen met de coach een transfer te maken van de bestaande competenties naar de nieuwe context. En daar hoort de vraag bij wat de persoon daarbij belemmert of belemmerd heeft. In tweede instantie kan er gezocht worden naar de ontwikkeling van nieuwe competenties. Of naar een sprong in de ontwikkeling.
En tot slot: de coach is zelf het belangrijkste ‘instrument’ om het beste uit de ander halen. De coach luistert, spiegelt, confronteert, vraagt door. Het is om die reden belangrijk dat de coach zichzelf kent. Het coachen is geen technische aangelegenheid met alleen een goede vraagtechniek. Het gaat om aanwezigheid, om vriendschap (met zichzelf en de leerling), om openheid (naar zichzelf en de leerling) en om zichzelf als gehele persoon aan te bieden om die ander verder te helpen. Je zou kunnen zeggen dat coachen om die reden een eigen pad is. Een coach zou zelf ook regelmatig gecoacht moet worden om een ander verder te helpen.
Rond coaching in onderwijs heerst vaak het misverstand dat het iets geheel nieuws is en dat het heel moeilijk is. Ook heerst het misverstand dat pas als je een goede coach bent, je ook een goede docent bent. De praktijk van alledag leert dat veel docenten hun leerlingen al lang coachen. Dat gebeurt wanneer ze zoeken naar wat leerlingen al kunnen, zoeken naar hoe ze die vaardigheden in die specifieke context kunnen inzetten waarin het even wat minder goed gaat, en zoeken naar wat hen belemmerde om ze in te zetten. Wanneer een docent een leerling coacht, gebeurt dat meestal in een coachinggesprek. Daarin gaat het om een ontmoeting tussen docent en leerling. Het doel daarvan is dat de leerling daarna beter weet hoe hij moet functioneren. Het is een ontmoeting (let op het woord ‘ont-moeten’, zonder moeten) van twee mensen, met ruimte, geen preek.
Coaching betekent niet alleen naast de leerling staan. Het betekent ook voor de leerling staan. De docent neemt de leerling namelijk waar op verbale en non-verbale uitingen, daagt de leerling uit om (in elk geval en deel van) het achterste van zijn tong te laten zien, en spiegelt op wat hij waarneemt. Eén van de belangrijkste kenmerken daarmee is dat de coach ook onderdeel is van het gesprek. Zie boven. Een ander belangrijk kenmerk van een coachingsgesprek is dat een docent vragen stelt en goed luistert naar de antwoorden. Als het daarbij zou blijven zou het coachen meer technisch van aard zijn. Er komt meer bij kijken. Zo zal een goede coach:
|
|||||||||||||||
In onze opvatting is het zo dat datgene wat voor de leerling geldt, ook voor de docent zelf geldt. Docenten moeten zichzelf goed kennen. Dat maakt ook dat ze zelf elke keer weer bij leren en dat een gesprek zichzelf nooit herhaalt. Elk gesprek en elke persoon laat weer andere facetten opbloeien. Dat betekent dat de coach zelf ook een pad van coach loopt. Het coach-schap is nooit af.
| Bronnen |
Er is een aantal aardige boekjes over coaching geschreven. Boekjes die we zelf regelmatig gebruiken en daarom willen noemen zijn bijvoorbeeld: 25 tips voor coaching, Regie van zelfsturing en De kunst van het vragen stellen. Deze drie boekjes zijn uitgegeven bij de Associatie voor Coaching te Aarle Rixtel. Haar website is www.associatievoorcoaching.com. Een interessante internetsite is ook: www.training.pagina.nl (startpagina coaching). Voor verder zoeken zie een van de zoekprogramma’s, bijvoorbeeld Google (www.google.nl) en zoek naar ‘coachen’ of ‘coaching’. Dan verschijnt een groot aantal websites, vaak over sport.
Er is een groot aantal relaties met andere leertheorieën en inzichten. Zo is er een directe relatie met beide andere theorieën die de gehele mens centraal stellen namelijk contemplatief leren en kernreflectie. Ook is er een relatie met ontwikkelingsgericht onderwijs vanwege het concept van de ‘zone van naastbije ontwikkeling’ (of bij deze theorie: zone naastbije ontwikkelingssprong). En met metacognitie en transfer vanwege het belang van reflectie. En met competentiegericht leren omdat het in coachen ook over de ontwikkeling van competenties gaat. En met natuurlijk leren omdat in dat concept twee vormen van coaching (de leer- en de werkmeester) een belangrijke rol spelen. Verder ondersteunt coaching alle theorieën op deze website.
















