Het blijkt dat wanneer leerlingen participeren ze zich beter ontwikkelen dan wanneer dat niet het geval is. Met name de participatie in de ‘natuurlijke context van concrete sociale interacties’ zorgt voor een ontwikkeling van moraliteit en zelfvertrouwen.
Bij ‘leerlingparticipatie’ gaat het niet om een leertheorie. Participatie is een pedagogische theorie of ontwikkelingstheorie. Maar het inzetten van participatie helpt wel om het leren van leerlingen te stimuleren. Participatie betekent dat de leerlingen (leren) zeggenschap (te) hebben in de besluitvormingsprocessen rond die activiteiten in de school die hun direct aangaan. Dat kan hun eigen leerproces zijn. Dat kan de directe leeromgeving van de klas zijn. Dat kan de gehele schoolomgeving zijn. Er zijn twee voorwaarden nodig om te kunnen spreken over leerlingparticipatie. De eerste is wanneer leerlingen een vorm van zeggenschap hebben over hun omgeving, wanneer ze echte keuzes hebben die voor hen ‘kloppen’. Een tweede is dat leerlingen een relatie ervaren met hun omgeving: leerlingen moeten zich geaccepteerd weten, weten dat ze erbij horen, het gevoel hebben welkom te zijn. Leerlingparticipatie is alleen mogelijk wanneer beide voorwaarden vervuld zijn. Beide voorwaarden hangen ook nauw samen. Ze kunnen niet zonder elkaar. Zeggenschap zonder relatie zal leiden tot egotripperij. Relatie zonder zeggenschap gaat meer over gehoorzaamheid. Beide voorwaarden zullen elkaar versterken. Beide voorwaarden vragen ook om competenties van de leerlingen. En om een context waarin beide voorwaarden als betekenisvol worden ervaren en niet alleen als een activiteit op zichzelf.
Om participatie vorm te geven er regelmatig sprake zal zijn van overleg of dialoog met de leerlingen, waarin die hun persoonlijke kwaliteiten ‘vrij’ kunnen inzetten. Daarbij wordt er uit gegaan van vier vooronderstellingen:
|
|||||||||||
Op een andere manier gezegd: docenten neigen er in een ‘werken voor‘- leerklimaat toe om zich zo op het gedrag van leerlingen te richten, dat ze leerlingen stimuleren zich naar hun voornemens te gedragen. De methode daarvoor is bij voorkeur die van belonen en straffen. In een werken met-leerklimaat neigen docenten ertoe zich op de onderliggende motieven van leerlingen te richten om ze te helpen positieve waarden en belangstelling voor het leren te ontwikkelen. Hun methode is er bij voorkeur één van een zorgende gemeenschap en een curriculum waarin met vragen van leerlingen rekening wordt gehouden en waarbij ervan uitgegaan wordt dat het meedenken bevorderlijk is voor de eigen ontwikkeling van leerlingen.
Direct hiermee samenhangend is het onderscheid tussen echte vrije keuze en pseudo-keuze. Kohn stelt dat in het ‘werken voor‘-leerklimaat docenten de overtuiging hebben dat leerlingen moeten doen wat ze zeggen. Hun opvatting is dat de verantwoordelijkheid van leerlingen eruit bestaat om te ‘doen wat ik ze vraag’: ‘Als ze niet doen wat ik ze vraag, verdienen ze hun straf’. Leerlingen krijgen de keuze om dat wel of niet te doen. Daarbij geloven docenten vaak dat leerlingen zichzelf straffen: ‘Als jij ervoor kiest niet te doen wat wij je vragen, dan moet je ook de negatieve consequenties van die keuze aanvaarden’. Op dat moment is er sprake van een pseudo-keuze. Een echte vrije keuze impliceert dat leerlingen de kans krijgen uit een aantal alternatieven een keuze te maken zonder dat dat consequenties heeft voor de relatie met de docent. Een eenvoudig voorbeeld: ‘Je mag hier in de klas werken of als je meer rust wilt, mag je op de gang werken’. De keuze is aan de leerling. En de volgende dag mag die een andere keuze maken. De docent moet zich dan ‘naar de leerling toe’ ook vrij voelen.
In Nederland is een van de bronnen De Winter. In de VS is een van de belangrijkere bronnen Alfie Kohn. Die heeft een eigen website: www.alfiekohn.org. Een van zijn boeken die in het bijzonder over participatie gaat is Beyond Discipline, From Compliance to Community (ASCD, 1996). Voor verder zoeken zie een van de zoekprogramma’s, bijvoorbeeld Google (www.google.nl) en zoek naar ‘leerlingparticipatie’ of ‘participatie van leerlingen’ (of het Engelse equivalent ‘student participation’). Dan verschijnt een groot aantal websites.
Participatie is een onderliggende theorie voor veel leertheorieën. Zij legt de basis voor een effectief leerklimaat, en méér dan dat. Er is een directe relatie met de leertheorieën adaptief onderwijs met name met de basisbehoeften autonomie en relatie daarin, met samenwerkend leren, met ontwikkelingsgericht onderwijs, omdat daar de dialoog tussen docent en leerling centraal staat en met kernreflectie wanneer het gaat over de ontwikkeling van de gehele persoon van de leerling.
















