De reden is dat de twee vormen van leren in de praktijk van alledag vaak door elkaar lopen en daardoor vaak tot misverstanden leiden bij leerlingen en docenten. Docenten zeggen bijvoorbeeld dat leerlingen niet zelfstandig zijn, waar leerlingen zeggen dat docenten hun die zelfstandigheid niet geven. Leren 1 is leren waarbij de beheersing van de leerstof centraal staat. Leren 2 is leren waarbij de leerling zelf actief bezig is eigen kennis te construeren. Beide vormen van leren zijn legitiem en vragen elk een ander soort leerling- en docentactiviteit.
Veel docenten denken dat de overgang van een klassikale benadering, waarin de docent veel initiatief heeft, naar een situatie waarin leerlingen zelfstandig hun leren vormgeven, een geleidelijke is. Dat blijkt niet zo. Om die reden hebben we twee vormen van leren onderscheiden. Die twee vormen noemen we leren 1 en leren 2. Leren 1 is leren van leerlingen waarbij de beheersing van leerstof centraal staat. Het gaat om de leeractiviteiten onthouden (oefenen, uit het hoofd leren, …), begrijpen (in eigen woorden weergeven, uitleggen, , …) en integreren (vergelijken, verbanden leggen, …). Dat betreft ook het aanleren van (reproductieve) vaardigheden. Leren 2 is leren waarbij de leerling zelf actief bezig is eigen kennis te construeren en waarbij wendbaar gebruik van kennis centraal staat: leerlingen moeten de kennis ook kunnen gebruiken als de docent níet in de buurt is. Bij leren 2 gaat het om de leeractiviteiten integreren (verbanden leggen, analyseren, …) en toepassen (ontwerpen, besluiten, ….).
Bij leren 1 gaat het om instructiestrategieën zoals directe instructie, effectieve instructie, effectief onderwijs, … Bij leren 2 gaat het om instructiestrategieën als betekenisvol leren, natuurlijk leren (APS), authentiek leren, probleemgericht leren, beroepsgericht leren. In beide gevallen gaat het om actief lerende leerlingen. In overzicht:
| Typen leeractiviteiten behorende bij leren 1 | |||||||||||||
|
|||||||||||||
| Typen leeractiviteiten behorende bij leren 2 | |||||||||||
|
|||||||||||
Uit het schema is af te leiden dat de leeractiviteit ‘integreren’ een brug vormt tussen beide vormen van leren. Integreren betekent in de praktijk van alledag vaak veel interactie tussen docenten en leerlingen en tussen leerlingen onderling. Te denken valt aan vormen van samenwerkend leren en aan vormen van het onderwijsleergesprek. Dat leren kan goed gestructureerd met weinig vrijheidsgraden (leren 1); of goed gestructureerd (gekaderd) met aanzienlijk meer vrijheidsgraden (leren 2).
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Uit het overzicht blijkt dat de verhouding tussen docent en leerlingen bij leren 1 en leren 2 een andere is. Waar bij leren 1 het initiatief vooral bij de docent ligt, gaat het er bij leren 2 om het initiatief bij de leerling te laten, binnen het raamwerk. Dat betekent per definitie meer autonomie voor leerlingen om hun eigen leren vorm te geven. Dat betekent direct een meer coachende dan een sturende docent. Omdat zowel bij leren 1 als leren 2 sprake is van een actief lerende leerling, vraagt dat in beide gevallen een visie op die autonomie van de leerling. Die visie is er niet altijd.
Deze “paradox van zelfstandigheid” kan voor veel verwarring en demotivatie zorgen. Met het onderscheid in leren 1 en leren 2 kan de docent daar duidelijker over zijn: moet er gewerkt worden met het oog op beheersing? Dan veel structuur. Moet er geleerd worden met het oog op wendbaar gebruik? Dan ook meer aandacht voor betekenis en autonomie.
De tweede relevantie van deze indeling voor het onderwijs is dat docenten niet voor de keuze worden gesteld om voor een van beide vormen van leren te kiezen. Beide keuzes hebben hun eigen verdiensten. Beide keuzes zijn in het onderwijs onontbeerlijk. Beide vormen van leren hebben hun eigen sterke en zwakke kanten. Het onderwijs gaat om én beheersing én wendbaar gebruik. Een docent, sectie, school kan daarbij kiezen om meer van het ene te doen en meer van het andere te laten. De indeling heeft daarmee veel ontwikkelingsperspectief voor docenten. Veranderingen kunnen geleidelijk gaan.
De theorie van leren 1 en leren 2 vindt haar oorsprong in het denken van Simons en Boekaerts in het handboek Leren en Instructie uit 1992. Zij onderscheiden de driedeling begrijpen, integreren en toepassen. Op basis daarvan en de ervaringen in de nascholing van docenten is deze tweedeling ontstaan. De visie op leren 1 en leren 2 wordt verder uitgewerkt in het boekje ‘Actief Leren’ van Sebo Ebbens en Simon Ettekoven (uitgegeven bij WoltersNoordhoff). In de tweede reflectie van dat boekje wordt verwezen naar een groot aantal andere theorieën die direct samenhangen met de indeling in leren 1 en leren 2. Daar wordt bijvoorbeeld verwezen naar het onderscheid dat Monique Boekaerts maakt tussen ‘Kennis als Doel’ en ‘Kennis als gereedschap’. Of er wordt verwezen naar het onderscheid in het lagere en het hogere orde leren, waar in de VS veel aandacht aan wordt geschonken. Voor verder zoeken zie een van de zoekprogramma’s, bijvoorbeeld Google (www.google.nl) en zoek naar vooral de Engelse equivalenten: ‘lower order thinking’, ‘higher order thinking’. Of voor leren 1 ‘mastery learning’, voor leren 2 ‘constructivistic learning theories’). Dan verschijnt een groot aantal websites. Zie ook de websites genoemd bij effectief leren.
Er is een relatie met groot aantal andere theorieën, al was het maar omdat de inzichten van leren 1 en leren 2 mede op het werken met die theorieën in scholen gebaseerd is. Zo is leren 1 direct gekoppeld aan effectief leren. Leren 2 is direct gekoppeld aan de theorieën van probleem gestuurd onderwijs, betekenisvol leren, … Een voorbeeld van een consequent uitgevoerde benadering in deze is de op het APS ontwikkelde theorie van natuurlijk leren. Bij leren 1 en leren 2 en met name op de brug tussen beide is er een directe relatie met de Sociaal-Interactieve Leeromgeving en met de vijf dimensies van Marzano. Leren 1 en leren 2 is te zien als een soort verbindende theorie. En de meeste leertheorieën bestaan uit een combinatie van beide.
















