Bij ontwikkelingsgericht onderwijs staat de brede persoonsontwikkeling van leerlingen centraal. Binnen die doelstelling wordt er gezocht naar die leerprocessen bij leerlingen die bevorderlijk zijn voor hun ontwikkeling. Daarbij speelt het begrip van de ‘Zone van Naastbije Ontwikkeling’ (ZNO) een belangrijke rol.
Ontwikkelingsgericht onderwijs is te beschouwen als een soort derde weg tussen twee stromingen die in het onderwijs te vinden zijn. Die verbindt de leerlinggerichte pedagogiek met een ontwikkelingsstimulerende methodiek-didactiek. Leerlinggerichtheid kent het gevaar dat docenten te lang wachten en dat er niets uitkomt. Methodegerichtheid kent het gevaar dat leerlingen ondergeschikt gemaakt worden aan de methode.
Het concept van ontwikkelingsgericht onderwijs is gebaseerd op de neo-Vygotskiaanse theorieën. Een belangrijk begrip bij Vygotsky’s ontwikkelingstheorie – en daarmee bij ontwikkelingsgericht onderwijs is de ‘Zone van Naastbije Ontwikkeling’ (ZNO). Die is gedefinieerd als het verschil tussen wat een leerling al zelfstandig kan (het actuele ontwikkelingsniveau) en wat de leerling kan met ondersteuning van een volwassene of een medeleerling. De ZNO is daarmee een sociaal-culturele activiteit waarin de leerling zinvol kan en wil deelnemen, maar die hij nog niet zelfstandig kan volbrengen. In de praktijk zal het gaan om het samen uitvoeren van een taak (meestal met een volwassene, soms met een expert-leerling), waarbij de volwassene hardop voordenkt en de belangrijkste ingrediënten aanreikt. Zowel leerling als volwassene dragen dus aan de activiteit bij. De volwassene moet aansluiten bij de actuele kennis en behoefte van de leerling en zoeken naar de leidende activiteit.
De belangrijkste kenmerken van de ontwikkelingsgerichte benadering zijn globaal als volgt samen te vatten:
|
•
|
Ontwikkelingsgericht onderwijs is gericht op een brede persoonsontwikkeling, die altijd specifieke kennis en vaardigheden met zich meebrengt. Bijzonder daarbij is de opvatting dat de volwassene in het contact met de leerling niet alleen direct specifieke kennis en vaardigheden overdraagt, maar dat ook de ontwikkeling van de leerling sterk wordt gekleurd door de context, de cultuur waarin begrippen worden aangeleerd. Dus met het leren van kennis en vaardigheden worden ook altijd onderdelen van de cultuur en de geschiedenis van de cultuur overgedragen via de handelingen van de volwassene. Ook dat levert ingrediënten voor een brede persoonsontwikkeling; |
|
•
|
Om aan deze ontwikkelings- en leerprocessen te kunnen bijdragen, zijn echte, betekenisvolle activiteiten en inhouden nodig. Ontwikkelingsperspectieven maken duidelijk in welke richting de activiteiten zich ontwikkelen en welke ontwikkelings- en leerprocessen daardoor gestimuleerd worden; |
|
•
|
Het aandeel van de docent bepaalt in hoeverre het thematische activiteitenaanbod bijdraagt aan de beoogde ontwikkeling van leerlingen. Docenten bemiddelen tussen de motieven, betekenissen en mogelijkheden van leerlingen enerzijds en de doelen die zij belangrijk vinden anderzijds. Daarom moeten ze zelf een, op de leerlingengroep afgestemd, aanbod ontwerpen. Maar nog meer dan dat: ze spannen zich in om leerlingen verder te helpen, om ervaringen en handelingsmogelijkheden toe te voegen, om ontwikkeling en leren doelbewust uit te lokken en te stimuleren. Gallimore and Tharpe noemen dat ‘assisted performance’; |
| • |
De didactische organisatie speelt daarin een rol. In begeleide keuzes helpen leidsters en docenten hun leerlingen om initiatieven te nemen en plannen te maken voor hun activiteiten. Vooral kleine groepsactiviteiten maken het mogelijk om met hen samen te spelen, te praten, te denken en te werken; |
| • |
Reflectie en observatie zijn onlosmakelijk aan het handelen van docenten verbonden. Ze zoeken steeds naar wat leerlingen zelf willen en al (bijna) kunnen. Daar baseren ze hun aanbod op. Om vervolgens te onderzoeken of dat aanbod en hun hulp echt helpt; of leerlingen er beter van worden. |
| • |
Ontwikkelingsgericht onderwijs vormt daarmee een soort derde weg. Die verbindt de leerlinggerichte pedagogiek aan een ontwikkelingsstimulerende methodiek-didactiek. Leerlinggerichtheid kent het gevaar dat docenten te lang wachten en dat er niets uitkomt. Methodegerichtheid kent het gevaar dat leerlingen ondergeschikt gemaakt worden aan de methode. Op het APS wordt veel aandacht besteed aan ontwikkelingsgericht onderwijs voor de onderbouw. Maar bovenstaande uitgangspunten gelden natuurlijk evenzeer voor andere leeftijdsgroepen. |
|
|
Uit bovenstaande beschrijving is af te leiden dat ontwikkelingsgericht onderwijs een complexe benadering is. De docent moet tegelijk voldoen aan een groot aantal eisen. Hij moet de betekenisvolle uitdagende taak ontwerpen en daarmee een beroep doen op de mogelijke kwaliteiten van de leerling; de leidende activiteit per leerling vaststellen bij het zoeken naar de ZNO van iedere leerling (en dat kan in een volle klas lastig zijn); tijdens de ondersteuning van, dialoog over of deelname aan de activiteiten goed luisteren en observeren om na te gaan of de uitdaging voor de leerling nog steeds daar is; in (klein) groepsverband met leerlingen werken en leren; de gehele klas in het oog houden en leerlingen waar nodig inzetten; met de leerling(en) reflecteren op wat er bereikt is; variatie in activiteiten aanbrengen; en met het schoolteam de ontwikkelingen van de leerlingen doorspreken en een ‘agenda’ vaststellen om over te dragen. De essentie van deze benadering zit in de interactie met de leerlingen in de deelname van de docent aan gemeenschappelijke activiteiten van leerlingen (‘assisted performance’). Het geheel aan activiteiten vraagt veel van de docent. Maar als hij die activiteiten van de grond kan krijgen, maakt dat het vak van docent des te boeiender en inspirerender.
| Relevantie voor de onderwijspraktijk |
|
Het concept van ontwikkelingsgericht onderwijs is uitermate relevant omdat het een “volledige” theorie is. De aanpak is zowel pedagogisch (brede persoonsontwikkeling), als didactisch (een uitgewerkte methodologie in de klas), als leerpsychologisch (de leerling is een actieve leerder die het eigen leren vorm geeft), als gericht op het aanleren van kennis en vaardigheden (via het zoeken naar de ZNO). Daarbij komt dat het een visie in zich draagt op cultuuroverdracht. Op het APS is er een lange geschiedenis van ontwikkelingsgericht onderwijs (in de personen van Frea Jansen en Henk Vink) en is er met name voor de onderbouw van het Primair Onderwijs veel uitgewerkt materiaal en kennis aanwezig.
Een belangrijke bron is het boek van Tharp, R. en Gallimore, R. (1988): Rousing Minds to Life: Teaching, Learning, and Schooling in Social Context, Cambridge University Press. Zij beschrijven hoe deze theorie vorm kan krijgen in de les. Een andere bron is het boek van Moll (Ed., 1990): Vygotksy and Education, Instructional Implications and Applications of Sociohistorical Psychology, Cambridge University Press. Veel informatie met achtergrondartikelen en verwijzingen naar werkmateriaal is te vinden op de sites van het APS: www.aps.nl/onderbouw/boek%2010jaar%5Fbasisontwikkeling.html en van de academie van ontwikkelingsgericht onderwijs: www.ogo-academie.nl. Op beide sites worden bronnen vermeld en op de tweede site wordt ook verwezen naar andere sites o.a van scholen die met het concept werken (zie de links). Een korte beschrijving is ook te vinden op www.funderstanding.com/vygotsky.cfm. Voor verder zoeken zie een van de zoekprogramma’s, bijvoorbeeld Google (www.google.nl) en zoek naar ‘ontwikkelingsgericht onderwijs’, ‘basisontwikkeling’ of ‘Vygotsky’ (of in de engelse variant: ‘developmental education’ of ‘zone proximal development’). Dan verschijnt een groot aantal websites.
Gerelateerde artikelen