
door: Titia Sikkema
Sinds kleuterscholen zijn ingelijfd bij het basisonderwijs zijn zij er op bepaalde gebieden op achteruitgegaan: verlies van buitenterrein met gras en bosjes waar de kinderen hun speelplek hadden, verlies van materiaal en voorzieningen zoals deze waren beschreven in het kleuterbouwbesluit.Doordat de Klos (kleuterleidsters opleiding school) is opgegaan in de pabo, is er ook veel kennis en ervaring over het onderwijs aan kleuters ‘zoek geraakt’. Consequentie daarvan is onder meer dat het onderwijsaanbod veel cognitiever is geworden.
Leerkrachten gaan op zoek naar structuur en de zekerheid van het volgen van een lesmethode, om goed aan te kunnen sluiten op de voorwaarden waaraan kinderen in groep 3 moeten voldoen. Prima, maar er is méér dan dat! Want wat is er zo specifiek aan het onderwijs aan jonge kinderen? De kern ligt in deze fase in het ervaren, beleven, benoemen en automatiseren. Het leren gaat via ervaren naar verwoorden naar begrijpen, via experimenteren naar geordend bezig zijn, van bekend naar onbekend.Elk kind ontwikkelt zich in zijn eigen tempo en het kan pas leren als het eraan toe is. Dit heeft met het natuurlijke proces van rijping te maken. Een leerkracht van jonge kinderen is dus bezig met observeren in een goed ingerichte, inspirerende omgeving; hij geeft ruimte aan de natuurlijke onderzoekingsdrang.De leerkracht geeft het kind de gelegenheid zelf te ontdekken en begeleidt het door suggesties en opdrachten te geven, maar hij kan ook sturen.Verder is luisteren naar kinderen essentieel. Wat geeft een kind aan, welke signalen geeft het (non)verbaal af? Soms is het nodig een kind even te laten, soms is het nodig extra uit te dagen.
SPREEK AF MET DE GROEP: NA ‘T BEWEGEN IS HET STIL
MIDDEL ÈN DOEL
Jonge kinderen bewegen van nature graag. Bij het leerproces is bewegen een middel: kinderen die zich motorisch
goed ontwikkelen leren veelal sneller nieuwe vaardigheden zoals schrijven. Maar bewegen is ook een doel op zich. Kinderen met een vaardige en handige motoriek hebben veel vóór. Vanuit gevarieerde bewegingsactiviteiten maakt een kind zich een gezonde levenstijl eigen en bouwt het een positief zelfbeeld op.
Hoe krijg je het als leerkracht voor elkaar om gerichte beweegmomenten in een schooldag in te bouwen. Hoe kan
het proces centraal komen te staan en niet alleen de prestatie? Immers als het proces goed kan verlopen, komt het met de prestatie dik voor elkaar. Meer bewegen betekent géén tijdverlies, maar uiteindelijk tijdwinst. Een leerkracht zal inzicht en overzicht moeten hebben in wat de mogelijkheden zijn en kan daarbij al zijn of haar creativiteit inzetten. Het vraagt vooral om lef. Lef om patronen die ontstaan zijn, te doorbreken.
Leerkrachten kunnen de sensomotorische ontwikkeling van kinderen gemakkelijk stimuleren in spellessen. Wat is sensomotorische ontwikkeling? Dit wijst op de relatie tussen de informatie die we krijgen via de zintuigen van ons lichaam en vanuit de omgeving én onze motorische reactie daarop. Voorbeelden uit het dagelijkse leven zijn: je raakt met je hand de kachel aan en trekt je hand terug omdat de kachel heet is. Je wilt een doos optillen, voelt dat hij zwaar is en spant je spieren extra aan. Je ziet een stoeprand en weet hoe hoog je je been moet optrekken om niet te struikelen. Met het eigen lijf moet het kind leren voelen wat bijvoorbeeld hoog en laag is, links en Rechts, voor en achter, er tussen in. Vanuit de ruimte k
omt pas het leren in het platte vlak.
Er zijn verschillende manieren om de sensomotorische ontwikkeling te stimuleren. Kinderen vinden het bijvoorbeeld altijd heel spannend om te voelen. Dat kan een leerkracht stimuleren door kinderen verschillende lichaamsdelen met een zwachtel, stroken stof of wc papier te laten inpakken.Hoe voelt dit? Een variatie is mummies maken, elkaar laten inpakken of vingers inpakken met gekleurd lint. Ook geschikt is een opzegliedje als ‘de maan is rond’, het lijf ‘wakker wrijven’ onder het zingen van een liedje en variaties daarop met washand, spons, borstel, scheerschuim of lotion. Ook goed voor de sensomotorische ontwikkeling is aandacht voor bewegen, bijvoorbeeld door rollen over de mat,een schuin vlak, in of uit een deken, liggen op een kleed en gesleept worden, gewiegd worden in een deken of laken, bewegen en stilstaan met muziek, variaties met slap en strak bewegen, een standbeeld maken of rijden op een plank met wieltjes (een rola, skateboard of buitenband op wielen). Manieren om leerlingen ruimte te laten beleven en benoemen zijn blindemannetje spelen of een doolhof maken door een waslijn kriskras door de ruimte te hangen en er gordijnen/vitrage/lakens aan te hangen. Lang niet alle spelmateriaal is duur en ingewikkeld. Iedere Kleuterleerkracht kan met de volgende spullen aan de slag: bodylotion, borstels, dozen, elastiek, gordijnen, inpakmateriaal met luchtbobbeltjes, plankje op wielen, spons, stroken stof, verschillende soorten vloerbedekking, voelzakje of wcpapier.
FACILITEITEN
Om gerichter aandacht te besteden aan motoriek in het onderwijs aan jonge kinderen is een duidelijk schoolbeleid
wenselijk. Kunnen leerkrachten bijvoorbeeld wel één keer per dagdeel naar het speellokaal? Verder helpt het opbouwen van een gevarieerder spelaanbod op het schoolplein. Een leerkracht kan kinderen ook de mogelijkheden van buiten Spelen leren zien, door enthousiast te vertellen en uit te nodigen, en vooral ook door zelf een keer mee te spelen.
Voorbeelden van spelletjes die leuk blijven zijn ‘Moeke moeke de beer is los’, kringspelen, ‘schipper, mag ik over
varen’, ‘landje pik’, knikkeren, touwtje springen, verstoppertje en handje-klap spelletjes met liedjes.
Tevens is het goed dat een leerkracht voor afwisseling in het lesaanbod zorgt: na inspanning hoort ontspanning. De
ervaring leert dat kinderen na even te hebben bewogen alerter zijn en zich beter kunnen concentreren.
Wie moeite heeft met het inpassen van bewegen in het dagelijkse aanbod, doet er goed aan na een werkles een structureel vast moment te kiezen voor een motoriek spelletje.
Bijvoorbeeld door allemaal te gaan staan, zingen, gekke bekken trekken, lopen op de plaats, zwaaien met je armen,
één draai in de rondte, muziek, klappen, stem- en ademspelletjes, rek- en strekbewegingen. De mogelijkheden zijn
groot en een creatieve leerkracht bedenkt de leukste vormen.
Dit soort activiteiten is overigens voor alle leerlingen plezierig, ook in de bovenbouw. Neem er enkele minuten voor en spreek met de groep af: na het bewegen is het stil in de klas. Wie als leerkracht hierbij weerstand voelt, of niet goed weet wat hij hiermee aan moet, die kan er eens over praten met collega’s, hoe geven zij daar vorm aan? Na een motoriekmoment heeft een kind het hoofd weerleeg, vrij en kan het de aandacht richten op iets nieuws.
Ben je geïnspireerd geraakt? Gun jezelf dan een onderzoek,probeer iets uit.
Titia Sikkema werkt als fysiotherapeute bij het Regionaal Expertise Centrum (REC) Noordoost Nederland cluster 3, provincies Groningen en Drente. Meer info in Spelen doe je met je hele lijf, te koop via www.recno3.nl;
Aanraken een levensbehoefte,Marijke Sluyter, Uitgeverij SWP, Amsterdam, 1e druk 2002,
ISBN 9066654345; Speelkriebels voor kleuters, Veerle Florquin
en Els Bertrands, uitgeverij Acco,Leuven, 20e druk 2002,ISBN 9033431041.
Dit artikel is afkomstig van Didaktief, opinie en onderzoeksblad voor schoolpraktijk. Meer informatie vindt u op de site www.didaktief.nl



