Iedereen leert tot een bepaalde hoogte de eerste taal ‘vanzelf’. Als er schoolse taalvaardigheden aan te pas komen (praten over abstracte begrippen, lezen, schrijven, intensief luisteren), gaat de taalverwerving niet meer vanzelf. Taal leren in deze opvatting is niet alleen het domein van de leerkracht Nederlands, maar onderdeel van het repertoire van iedere (vak)docent.
Bij taal leren gaat het om het ontwikkelen van de taalvaardigheden van leerlingen. Het gaat daarbij om de vaardigheden luisteren, spreken, lezen, schrijven en om het waarderen van taal als cultuurgoed. In de traditionele praktijk van het voortgezet onderwijs hoort taal leren bij uitstek tot de taak van de leerkracht Nederlands. Die geeft vaak met behulp van een methode docentgestuurd les en laat daarbij leerlingen opdrachten en deeloefeningen maken. In die traditionele situatie is er weinig verbinding tussen de taal die leerlingen gebruiken in het persoonlijke leven, die ze gebruiken bij het leren voor de andere vakken, en die ze bij het vak Nederlands leren. Bovendien weten leerlingen (en leerkrachten) niet altijd goed wat ze feitelijk leren en waarvoor het nodig is, en worden de resultaten vooral gemeten m.b.v. de ‘harde’ onderdelen grammatica en spelling.
Volgens de opvattingen van taal leren hebben alle docenten een taak bij het vergroten van de taalvaardigheden van alle leerlingen. Er worden daarbij twee theorieën gebruikt: die van de inhoudgebaseerde benadering en die van taalgericht vakonderwijs.
Bij de inhoudgebaseerde benadering is de gedachte dat leerlingen beter, gemotiveerder taal zullen leren als de taaltaken worden gekoppeld aan een contextrijke inhoud. De kans dat leerlingen die taaltaken als betekenisvol gaan ervaren is groter als ze gekoppeld zijn aan de ‘echte’ wereld, als de taken realistisch zijn.
Bij taalgericht vakonderwijs wordt die gedachte verder uitgewerkt. Daarbij gaat men ervan uit, dat taalgericht onderwijs helpt om de doelen van welk vak dan ook te halen. Taal leren krijgt daarom aandacht in elk vak. Op dat moment snijdt het mes aan twee kanten: de vakdoelen worden gehaald en de taalvaardigheid van leerlingen wordt vergroot. Het gaat daarbij om de drieslag context, interactie en taalsteun.
Bij context gaat het om het creëren van een betekenisvolle leersituatie met de bijbehorende intrinsieke motivatie, waarbij de docenten ook zichtbaar maken welke taalvaardigheden belangrijk zijn en die koppelen aan de voorkennis van leerlingen.
Bij interactie gaat het om de interactie tussen docent en leerlingen, en tussen leerlingen onderling. Door de interactie ontstaat er betekenis voor leerlingen over de taal.
Bij taalsteun gaat het bijvoorbeeld om systematische woordenschatverwerving, het aanleren van leesstrategieën of het gebruik maken van schrijfkaders en spellen die interactie uitlokken. Ook het werken met door leerlingen gemaakte criterialijsten met beginners- en expertgedrag is een – kansrijk – voorbeeld van gerichte taalsteun.
Ook in scholen met een werkwijze volgens de principes van het natuurlijk leren, kunnen op deze wijze en door het gebruik van portfolio en coachingsactiviteiten helpen om de taalvaardigheid van leerlingen in kaart te brengen en te vergroten.
Deze benadering vraagt van de scholen om het ontwikkelen van een gemeenschappelijke visie op taalontwikkeling en om groei naar een vorm van onderwijs (en organisatie) waarin die taalverwerving ondersteund wordt.
Voor taal leren zijn een groot aantal bronnen beschikbaar. Zo is beschikbaar: Maaike Hajer, Theun Meestringa. Handboek taalgericht vakonderwijs. Coutinho, 2004. Platform taalgericht vakonderwijs, bronnenboek. Ook op internet is wat te vinden. Zie bijvoorbeeld: www.taalgerichtvakonderwijs.nl. op de website zijn verwijzingen naar literatuur te vinden. Ook zijn er uitgewerkte voorbeelden uit scholen.
Er zijn directe verbindingen tussen taal leren en coachen, competentiegericht leren, gecijferdheid, natuurlijk leren, metacognitie en transfer en de dimensie 4 in de vijf dimensies van Marzano.
















