• E-mail dit bericht
  • This page as PDF

Beschrijving van autisme en verwante stoornissen

Geplaatst op donderdag, 17 september 2009 | door Onderwijs Maak Je Samen

Een autistische stoornis kan op heel verschillende wijze tot uiting komen. Ieder kind met autisme is uniek. Men spreekt over een spectrum van autistische stoornissen. De aard en de ernst van autisme kunnen sterk verschillen.

Bekende stoornissen in het autismespectrum zijn:
* Autistische stoornis (kernsyndroom autisme)
* PDD-NAO (of PDD-NOS)
* Syndroom van Asperger

Deze worden o.a. in het officiële klinische classificatiesysteem DSM ( Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) beschreven.

 

1. Kernsyndroom autisme

  • Autisme is een organisch defect
    • Er is sprake van een prikkel-en informatieverwerkingsstoornis.
    • Op vele functiegebieden,dus een pervasieve ontwikkelingsstoornis.
  • Wederkerigheid in het contact ontbreekt
    • Gebrek aan betekenistoekenning
    • Gebrek aan inlevingsvermogen
  • De omringende wereld wordt ervaren als chaotisch
    • Extreme,schijnbaar onlogische angsten
    • Stereotype gedragingen
  • Er is zeer veel behoefte aan
    • Veiligheid
    • Voorspelbaarheid
    • controle

 

De specifieke kenmerken op basis van de criteria van de DSM IV zijn:

 

  • kwalitatieve stoornis in het leggen van sociale contacten, ofwel een beperking in de sociale interactie.

Het gaat hierbij om een contactstoornis die zijn invloed heeft op de kwaliteit van de sociale relaties. Hun inlevingsvermogen in sociale situaties is beperkt en ze nemen nauwelijks initiatieven in de sociale omgang. Er is geen sprake van sociale wederkerigheid. Men kan spreken van een onvermogen om sociale relaties aan te gaan.

  • Kwalitatieve stoornis in de ontwikkeling van taal en spraak/communicatie..

Gesproken taal ontwikkelt zich moeizaam of helemaal niet. Het taalgebruik is ongewoon en het taalbegrip is vaak gestoord. Ze nemen alles letterlijk op . Er is sprake van een beperkt vermogen om met de ander te communiceren door gesproken taal of gebaren.

  • Beperkte, repetitieve en stereotiepe gedrags -, interesse- en activiteitspatronen.

Er is sprake van abnormale rigiditeit. Dit uit zich in een eenzijdige belangstelling voor dingen. Ze hebben een grote weerstand tegen veranderingen ofwel een dwangmatig verlangen naar hetzelfde. Autistische kinderen zoeken houvast in vaste routines en rituelen. Dit betekent een opvallend beperkt repertoire van interesses en activiteiten. Soms raken ze geobsedeerd door bepaalde voorwerpen 0of weten bijvoorbeeld alles over een onderwerp. Eenzelfde activiteit kan hen langdurig boeien.

Bijkomende problemen kunnen zijn:

  • Een afwijkende, houterige en onhandige motoriek
  • Ongewone reacties op zintuiglijke prikkels
  • Extreme en schijnbaar onlogische angsten

 

2. PDD-NAO  (pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anders omschreven)

Het kind met PDD-NOS heeft minder ernstige en meer gevarieerde symptomen dan het kind met autisme. Het wordt ook wel eens gekwalificeerd als een verlegenheidsdiagnose: men weet nog niet zeker of er sprake is van een wel nader omschreven pervasieve ontwikkelingsstoornis zoals ASS. Het wordt ook wel omschreven als een aan autisme verwante stoornis.

De symptomen beginnen meer geleidelijk aan en minder uitgesproken. De herkenning is minder gemakkelijk.

Kenmerken van PDD-NOS :

  • Sociale ontwikkeling

Bij het kind met PDD-NOS staat de sociale stoornis centraal. Dit kind heeft een gestoord of gebrekkig ‘sociaal snapvermogen’.Het kind zit te vast in zijn eigen belevingswereld.. Het kan zich moeilijk inleven in de gevoelens van een ander. Van wederkerigheid is geen sprake.

 

  • Taalontwikkeling

Er is sprake van een vertraagde taalontwikkeling. De taal komt later wel redelijk op gang, maar taal wordt niet communicatief. Het kind neemt taal vaak letterlijk,                   

 

  • Motorische ontwikkeling

De motoriek is over het algemeen niet slecht. Op bepaalde momenten wel.

 

  • Zintuiglijke ontwikkeling

Het kind heeft moeite met de informatieverwerking. Er is vooral een slechte verwerking van auditieve prikkels. Het kan hoofd-en bijzaken moeilijk scheiden. De keuze  wordt meestal bepaald door de nabijheidzintuigen. Ook de interne gedachtewereld krijgt voorrang op wat in de buitenwereld gebeurt. Soms weet het kind niet eens of iets in het echt is gebeurd of dat het in zijn gedachten heeft beleefd. Het kind lijkt hierdoor vaak te ‘liegen’.

 

  • Cognitieve ontwikkeling

Kinderen met PDD-NOS voorspellen niet. Ze maken nauwelijks gebruik van hun kennis om vooruit te lopen op wat komen gaat. Hun plangedrag is vaak chaotisch. Ze kunnen zelf moeilijk een ordening in hun denken aanbrengen. Ze hebben ook moeite met het verbeeldend denken, met andere woorden, ze kunnen zich slecht een voorstelling van iets maken, dat er niet letterlijk is. Er bestaan geen of onvoldoende grenzen tussen fantasie en realiteit..De creatieve vakken zijn vaak een crime voor deze kinderen.

 

De criteria van PDD-NAO in de DSM IV geven aan dat deze categorie gebruikt moet worden als er een ernstige en pervasieve tekortkoming is in de ontwikkeling van wederkerige sociale interactie of van de verbale en non-verbale communicatieve vaardigheden.

Of als stereotiep gedrag, interesses en activiteiten aanwezig zijn ,terwijl niet voldaan wordt aan de criteria voor een specifieke pervasieve ontwikkelingsstoornis, schizofrenie, schizotypische persoonlijkheidsstoornis of ontwijkende persoonlijkheidsstoornis.

Zo behoren tot deze categorie ook de atypische autismebeelden die niet voldoen aan de criteria van de autistische stoornis vanwege een begin op latere leeftijd, atypische symptomatologie of te weinig symptomen of deze allemaal.

 

3. Syndroom van Asperger

Het kind met de stoornis van Asperger functioneert op het continuüm van het autistisch spectrum op het hoogste cognitieve niveau. Het is een aan autisme verwante contactstoornis, die oppervlakkig gezien niet direct opvalt. Volgens de DSM IV heeft iemand deze stoornis als hij soortgelijke problemen heeft met sociale interacties als autisten, even beperkte interesses heeft en star gedrag vertoont. Echter hun contactstoornis verschilt essentieel van ander autistische stoornissen. Minder ingrijpend voor de buitenwereld. Zij hebben ook veel minder taalproblemen. De communicatie komt vroeg op gang. Vaak is het eenrichtingsverkeer.

 

Kenmerken van de stoornis van Asperger:

  • Beperkingen in sociale relaties en interacties:

Het kind begrijpt de complexe regels van onze sociale interactie minder goed. Het is meestal naïef, ik-betrokken..Hij heeft problemen in de wederzijdse sociale interactie: hij praat tegen de ander in plaats van met de ander. De taal is goed ontwikkeld , maar het kind kan slecht communiceren. Het heeft een gering empathisch vermogen. Het is niet erg gevoelig en mist tact. Het kind kan door de anderen’ misbruikt’ worden. Het heeft niet in de gaten , dat de anderen hem voor het karretje spannen. Het kind heeft in de regel wel de wens om deel te nemen aan onze sociale wereld. Dit lukt hem echter maar zeer moeizaam.

 

  • Beperkte interesses en ongewoon gedrag

Het kind heeft zonderlinge gewoontes. Soms sterke fixaties. Het is weinig flexibel. Het heeft problemen met het loslaten van de eigen ideeën. Het kind kan amper compromissen sluiten. Hierdoor ontstaan vaak conflicten. Het kind heeft moeite opdrachten te maken buiten zijn interesse sfeer. Het is door de geringste verandering uit zijn evenwicht te brengen. Het is snel ongerust en maakt zich zorgen over wat er te wachten staat (blijven doorvragen) Dit kind wordt in deze situaties snel druk en overbeweeglijk. 

 

  • Slechte aandacht en concentratie

Het kind is vaak niet ‘bij de les’. Het is snel afgeleid door externe prikkels, maar ook door de leerstof, die het kind te weinig boeit. Dit kind neigt zich snel terug te trekken in zijn binnenwereld (dagdromen). Door het gebrekkig sociaal functioneren heeft het moeite om samen te werken, samen te leren . De wekwijze is meestal chaotisch. Het kind springt van de hal op de tak.   

 

  • Zwakke motoriek

Dit kind is motorisch klungelig en onhandig. Het loopt houterig, vaak op de tenen.

Het heeft weinig succes bij spelletjes, waar de motoriek bij betrokken is. Vaak heeft het veel moeite met schrijven. De werkverzorging is meestal vrij slordig.

 

  • Cognitieve ontwikkeling

Dit kind heeft een gemiddelde tot bovengemiddelde intelligentie. Het intelligentieprofiel is disharmonisch van aard. De verbale component is vaak sterk tot zeer sterk ontwikkeld. De performale begaafdheid is meestal zwak. De taalontwikkeling komt gewoon op gang . Het kind heeft een goed ontwikkeld taalgebruik. Het kind heeft een goed ontwikkeld ‘mechanisch geheugen’. Het echte probleem oplossend vermogen is zwak. Het kind volgt zijn eigenzinnige maniertjes om problemen te analyseren en op te lossen. De denkwijze is moeilijk te volgen. Het schoolse leren verloopt moeizaam, omdat het niet goed verdraagt een bepaalde werkwijze opgelegd te krijgen. Het kind trekt het liefst zijn eigen plan.

 

  • Emotionele ontwikkeling

Dit kind is emotioneel kwetsbaar. Door de negatieve ervaringen met de buitenwereld heeft het een geringe eigenwaarde. Het zelfbeeld is meestal negatief. Het kind, vooral pubers, neigen naar depressies.

Interacties met anderen en het kunnen voldoen aan de gewonen dagelijkse verwachtingen is voor dit kind een hele klus.

Ze reageren vaak angstig en of agressief. Er bestaat voortdurend ‘ miscommunicatie’.

 

Deze criteria van de DSM  IV geven de stoornis van Asperger aan:

  • Kwalitatieve beperkingen in de sociale interactie, zoals blijkt uit tenminste twee van de volgende:
  • Duidelijke stoornissen in het gebruik van veelvuldig non-verbaal gedrag zoals oogcontact, gelaatsuitdrukking, lichaamshouding en gebaren om de sociale interactie te bepalen.
  • Er niet in slagen met leeftijdsgenoten tot bij het ontwikkelingsniveau passende relaties te komen.
  • Tekort in het spontaan proberen met anderen, plezier, bezigheden of prestaties te delen ( bijvoorbeeld het laten zien, brengen of aanwijzen van voorwerpen die van betekenis zijn)
  • Afwezigheid van sociale of emotionele wederkerigheid.

 

  • Beperkte, zich herhalende en stereotiepe patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten zoals blijkt uit tenminste een van de volgende:
  • Sterke preoccupatie met een of meer stereotiepe en beperkte patronen van belangstelling die abnormaal is in ofwel intensiteit of aandachtspunt.
  • Duidelijk rigide vastzitten aan specifieke niet-functionele routines of rituelen.
  • Stereotiepe en zich herhalende motorische handelingen (bv. Fladderen of draaien met hand of vingers of complexe bewegingen met het hele lichaam.)
  • Aanhoudende preoccupatie met delen van voorwerpen.

 

  • De stoornis veroorzaakt significante beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
  • Er is geen significante algemene achterstand in taalontwikkeling (bv. Het gebruik van enkele woorden op de leeftijd van twee jaar, communicatieve zinnen op de leeftijd van drie jaar).
  • Er is geen significante vertraging in de cognitieve ontwikkeling of in de ontwikkeling van bij de leeftijd passende vaardigheden om zichzelf te helpen, gedragsmatig aanpassen (anders dan binnen sociale interacties) en nieuwsgierigheid over de omgeving.
  • Er is niet voldaan de criteria van een andere specifieke pervasieve ontwikkelingsstoornis of schizofrenie.

 

 

Ingrid Mark

Orthopedagoge en auti-leerkracht

Gerelateerde artikelen

© 2001 - 2011 Onderwijs Maak Je Samen