Met ingang van 1 augustus 1998 is er een splitsing aangebracht in de rij van scholen voor Speciaal Onderwijs (S.O.).
LOM en MLK- scholen heten vanaf dat moment scholen voor Speciaal Basisonderwijs (S.B.O.) en vallen samen met de gewone basisscholen onder de Wet op het Primair Onderwijs (W.P.O.).
De andere scholen voor Speciaal Onderwijs (S.O.) zoals ZMLK (Zeer Moeilijk Lerende Kinderen), Mytyl/Tytyl (lichamelijk en meervoudig gehandicapte kinderen kinderen), LZ (Langdurig Zieken), ZMOK (Zeer Moeilijk Opvoedbare Kinderen) , PI (Pedalogisch Instituut )en scholen voor S.O. aan kinderen met visuele, auditieve en communicatieve handicaps vallen vanaf dit moment onder de Wet op Expertise Centra (W.E.C.). De scholen voor speciaal onderwijs zijn nu onderverdeeld in vier clusters.
SBO en WSNS
Voor moeilijk lerende kinderen en kinderen met gedragsproblemen die niet (meer) naar het reguliere basisonderwijs naar school kunnen, zijn er scholen voor speciaal basisonderwijs (SBO). Scholen voor basisonderwijs werken samen binnen een samenwerkingsverband Weer Samen Naar School (WSNS). Dit samenwerkingsverband is regionaal georganiseerd. Het samenwerkingsverband is verantwoordelijk voor goed onderwijs aan alle leerlingen op de scholen van het samenwerkingsverband en houdt in de meeste gevallen een speciale school voor basisonderwijs in stand.De SBO vervult de rol als expertisecentrum en vangt kinderen op die (soms tijdelijk) meer zorg nodig hebben.
Elk samenwerkingsverband heeft een budget waaruit de opvang van leerlingen met speciale zorgbehoeften betaald wordt. Voor de leerling heeft het SBO veel te bieden. Er zijn kleinere groepen, zodat er meer individuele aandacht is. De leerling ontvangt specialistische begeleiding op de problemen waarvoor hij/zij naar het SBO is verwezen. Voor elke leerling wordt een individueel handelingsplan opgesteld en dit wordt regelmatig geëvalueerd. En binnen het SBO werken vaak deskundigen die gespecialiseerd zijn in leer- en gedragsproblemen.
Doel van het WSNS is dat op de basisschool zoveel mogelijk begeleiding en zorg voor leerlingen beschikbaar is. Om dit te bereiken moeten basisscholen en de SBO intensief samenwerken. Elk samenwerkingsverband maakt een zorgplan. In dit zorgplan wordt een heldere beschrijving gegeven van de procedure van het voortraject tot en met de plaatsing op het SBO. Basisscholen en een SBO vallen onder dezelfde wet: de Wet op het Primair Onderwijs (WPO). Voor beide scholen gelden ook dezelfde kerndoelen. Een leerling op een SBO kan er wel wat langer over doen.
Verwijzing naar het speciaal basisonderwijs
Als het op school niet goed gaat met een kind, is een gesprek tussen ouder(s) en groepsleraar de eerste stap. Er wordt bekeken wat de oorzaak van de problemen is en wat de basisschool er aan kan doen om het kind de zorg te geven die het nodig heeft. Het kan voorkomen dat het kind meer zorg en begeleiding vraagt, dan een school kan bieden en dat het kind waarschijnlijk beter op z ‘n plaats is op een speciale school voor basisonderwijs.Een voorbeeld hiervan is: als er sprake is van leerproblemen (zoals dyslexie) in combinatie met een laaggemiddelde intelligentie en als de leerling niet in staat is om zelfstandig te werken (dus geen eigen leertraject aankan).Als dit het geval is, meldt de ouder zelf (in samenwerking met de school) het kind aan bij een Permanente Commissie Leerlingenzorg (PCL). De PCL zal onderzoeken of plaatsing op een speciale school voor basisonderwijs noodzakelijk is, of dat het kind op een andere manier geholpen kan worden. De PCL kan ook een adviserende rol hebben.
SO en REC
De Wet op Expertisecentra (WEC) is in augustus 2003 in werking getreden. De WEC heeft het speciaal onderwijs ingedeeld in zogenaamde “clusters”. Er zijn vier clusters te onderscheiden: `
Cluster 1 is voor kinderen met een visuele handicap. Voor dit cluster zijn er aparte afspraken gemaakt over toelating en financiering en daarom geldt voor hen een ander traject bij de indicatiestelling dan voor cluster 2 tot en met 4.
Cluster 2 is voor kinderen die auditief en communicatief gehandicapt zijn. Dit cluster is onderverdeeld in 5 schoolsoorten, namelijk scholen voor dove kinderen, slechthorende kinderen, meervoudig gehandicapte dove of slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraak-/taalmoeilijkheden.
Cluster 3 is onderverdeeld in 4 schoolsoorten, te weten scholen voor zeer moeilijk lerende kinderen, langdurig zieke kinderen met somatische problematiek, lichamelijk gehandicapte kinderen (mytyl) en meervoudig gehandicapte kinderen (waaronder tytyl).
Cluster 4 is voor kinderen met ernstige ontwikkelingspsychopathologie. Dit kan bestaan uit ernstige problemen in het gedrag, ontwikkelingsproblemen en/of psychiatrische problemen. Er bestaat in dit cluster maar één schoolsoort.
De scholen van een cluster werken regionaal samen in een Regionaal Expertise Centrum (REC). De REC’s van een cluster vormen een landelijk dekkend netwerk.Een van de taken van het REC is het inrichten van een Commissie voor Indicatiestelling (CvI). Deze commissie bepaalt of het kind toelaatbaar is tot het speciaal onderwijs of in aanmerking komt voor een leerling-gebonden budget.De commissie is onafhankelijk. Zij neemt het besluit aan de hand van landelijk geldende criteria. De criteria zijn in regelingen vastgelegd door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OC en W).
Criteria
Om tot een indicatie te komen beoordeelt de CvI :
- de geschiktheid van de informatie over de handicap, de schoolvorderingen en de al verleende zorg
- de ernst van de stoornissen en de beperkingen
- de ernst van de beperking van de deelname aan het onderwijs
- de mogelijkheden van de reguliere zorgstructuur (van onderwijs en zorg)
De CvI geeft een beschikking af over de toelaatbaarheid tot de gevraagde onderwijssoort. Ingevolge van de WEC is de duur van de periode waarvoor de leerling is geïndiceerd beperkt tot 2 of 4 jaar afhankelijk van de indicatie. Dan moet de leerling opnieuw geïndiceerd worden ( herindicatie). Indien de CvI een positieve indicatie afgeeft kunnen de ouders kiezen: zij melden hun kind aan bij een school voor speciaal onderwijs of kiezen voor regulier onderwijs met ambulante begeleiding en een leerling-gebonden budget (‘rugzakje’). Met dit extra budget kunnen ouders op zoek gaan naar een basisschool waar men bereid is het onderwijsaanbod af te stemmen op de speciale, extra individuele hulpvragen van hun kind. Scholen die deze bereidheid hebben en ook werkelijk kunnen aantonen dat zij beschikken over extra deskundigheid, kunnen met de ouders een contract afsluiten en met het extra budget het onderwijs financieren.
De indicatie voor leerling-gebonden financiering en een plaats op het speciaal onderwijs (SO) zijn identiek aan elkaar. Voor een plaats op het SO of voor leerling-gebonden financiering moet een leerling voldoen aan dezelfde indicatiecriteria, het gaat bij beide mogelijkheden om even zware problematiek. Het is dus niet zo dat een leerling met een rugzak mildere problematiek heeft dan een leerling op het SO.
De taak van de Landelijke Commissie Toezicht Indicatiestelling (LCTI) is onder andere het toezicht houden op de correcte uitvoering van de regelgeving en het gebruik van de indicatiecriteria door de CvI’s.
Het onderwijsveld blijft voortdurend in beweging.
Op 28 augustus 2006 heeft de minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap een brief aan de Tweede Kamer gestuurd waarin zij verschillende vragen aan de LCTI had opgenomen. Deze vragen hebben betrekking op de mogelijkheden om de groei van het speciaal onderwijs – en met name de groei van de leerling-gebonden financiering in cluster 4 – te beperken. Op basis van ervaringen van de afgelopen jaren en recent uitgevoerd onderzoek heeft de LCTI haar advies aan de minister opgesteld.
Op dit moment is de wet- en regelgeving voor leerlingen met een extra zorgbehoefte complex. Scholen en ouders raken verstrikt in een woud van regels. Teveel leerlingen vallen hierdoor tussen wal en schip. De leerling moet centraal komen te staan in de organisatie van het onderwijs. Het idee is daarom dat scholen de verantwoordelijkheid krijgen om voor elke aangemelde leerling een passend onderwijsarrangement aan te bieden. Scholen hebben binnen het kader van deze zogenaamde ‘zorgplicht’ de ruimte om het onderwijs zodanig in te richten dat het aansluit bij de behoefte van de leerlingen en wensen van de ouders. Ouders zijn ook nauw betrokken bij de uitwerking van de zorgplicht. Zij krijgen een aanzienlijk sterkere positie.
Voor wie meer wil weten, ook van de recente ontwikkelingen , zie de volgende websites:
www.lcti.nl Op deze site informatie over indicatiestelling voor het speciaal onderwijs en de rol van de LCTI hierin.
www.leerlinggebondenfinanciering.nl Een website van het ministerie van OCW met daarin de algemene gang van zaken rond de aanvraag van de leerling-gebonden financiering, maar ook gerelateerde meer specifieke onderwerpen.
www.oudersenrugzak.nl Duidelijke en heldere informatie over het rugzakje in zowel het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs als het MBO. Daarnaast praktijkvoorbeelden en nuttige artikelen.
www.50tien.nl Een uitgebreide website van het Landelijk Adviescentrum voor ouders die meer informatie willen over uiteenlopende aspecten van het onderwijs, waaronder leerling-gebonden financiering. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om, telefonisch of via de website, vragen te stellen aan professionals in het onderwijs.
www.passendonderwijs.nl Via deze website blijft u op de hoogte van de ontwikkelingen. Plannen en vorderingen rondom de invoering van de zorgplicht, proefprojecten uit de praktijk en achtergrondinformatie. Deze website is tot stand gekomen door een samenwerking van onderwijs- en ouderorganisaties en het ministerie van OCW.
Ingrid Mark
Orthopedagoge
(Praktijk voor autisme en auti-leerkracht)




