leestijd:

In onderstaand artikel beschrijf Lauk Woltring, expert op het gebied van ‘omgaan met jongens’, een reeks tips en handreikingen voor een fijne schoolomgeving voor zowel meisjes als jongens in jouw klas.

Tips voor beter omgaan met jongens in de school:

In zijn boek ‘Real Boys’ zegt William Pollack dat onze samenleving zich zorgen zou moeten maken over de ‘boys code’. De vier elementen ervan zijn:

  • Stoer, sterk, stoïcijns: niet huilen, geen zwakheid, niet klagen.
  • Geweld is aantrekkelijk (‘Give ‘em hell’- Clint Eastwood, Bruce Lee)
  • Status, dominantie, macht. Schaamte koste wat het kost vermijden, het masker van ‘coolness’.
  • Geen meisjes ‘stuff’- gevoelens, aanhankelijkheid, warmte, empathie; “Dat is allemaal niets voor jongens”.

Deze codes komen overigens in veel patriarchale culturen voor (LW). Ze zijn op de terugweg, passen niet meer in een nieuwe globale samenhang en uitwisseling, high-tech cultuur, bedrijfsleven, maar deze beweging is niet eenduidig en geeft soms veel reactie. Veel volwassen mannen geven nog beroerde voorbeelden.

Jongens hebben veel energie en veel mogelijkheden, maar er zijn allerlei redenen om ons zorgen te maken over de ontwikkeling van veel (niet alle!) jongens in onze samenleving en hun bijdrage aan het behoud en de verdere ontwikkeling van deze planeet. Hun kwaliteiten komen te weinig aan bod of komen niet uit de verf.

Jongens worden gezien als lastig, ‘ze’ veroorzaken veel problemen, vertonen wangedrag, maken de straten onveilig. De criminaliteitscijfers onder jongens zijn veel hoger dan onder meisjes (wier mogelijk wangedrag overigens andere vormen aanneemt, maar daar gaat deze tekst niet over). Jongens presteren gemiddeld slechter dan meisjes in het onderwijs. En bovendien zijn het soort banen die van oudsher voor traditioneel opgegroeide jongens geschikt zijn, aan het verdwijnen.

Hun emoties worden slecht begrepen en omdat volwassenen hen te weinig bijstaan grip op zichzelf te krijgen, zijn zij gemakkelijk doelwit van reclame. Deze springt in de gaten welke in hun ontwikkeling gevallen zijn en verleidt jongeren tot materiële compensatie en uiterlijke schijn voor tekort aan een goed zelfgevoel. Ook zijn jongens juist door hun beperkte, geforceerde en eenzijdige ontwikkeling gemakkelijk te rekruteren door radicale bewegingen die hen inzetten voor hun eigen belangen.

Er zijn gemiddeld grote verschillen in de ontwikkeling tussen jongens en meisjes (verschillen in aanleg én in de manier waarop de omgeving op hun ontwikkeling reageert). Het lijkt er op dat ons onderwijs eerder geschikt is voor meisjes dan voor jongens. Zonder ook maar íets af te doen aan de mogelijkheden voor meisjes is het zinvol om stil te staan bij de eigenheid van jongens en bij de manier waarop we daar in ons onderwijs meer aan tegemoet kunnen komen.

Hier alvast 33 aanbevelingen, sommigen brengt u ongetwijfeld al in praktijk. Kijk en vergelijk, bespreek het eventueel met collega’s. Maak video’s van uw eigen interacties met de jongens in de klas en trek er eens een middagje voor uit om n.a.v. die video van u zelf te analyseren en misschien nog eens deze tekst opnieuw te lezen.

1. Het allerbelangrijkste: Contact. Laat zien dat je hen ziet en werkelijk nieuwsgierig bent naar wat hen beweegt en wat zij te vertellen hebben. Onderzoek allereerst waar de kwaliteiten zitten van jongens waar u mee te maken krijgt, en laat ook merken dát je die ziet (niet te dik, gewoon straight: “Dat deed je, ik zag dat je dat deed, ik hoorde dat je dat…. deed. Dat vind ik prima” (punt, geen maar… ). Eventueel een andere keer: “Waar ik het graag met jou over wil hebben….”

2. Verbieden remt of blokkeert, is soms ook nodig, maar geeft geen richting. Geeft hooguit aan wat niet mag, maar niet wat wél. Gedragsverandering komt vooral door belonen en prijzen maar zelden door straf. Jongens gehoorzamen hooguit tijdelijk maar verinnerlijken dit gedrag nauwelijks. Straf werkt vaak eerder contraproductief: hoe kun je er onder uit komen, bagatelliseren. Mogelijk krijgen zij wraakfantasieën die oprechte spijt over wat ze gedaan hebben in de weg zit. Straf kan zelfs statusverhogend werken. Probeer te ontdekken wanneer zij zich goed gedragen, en geef ze dan een opsteker, soms subtiel, niet te opvallend, soms voluit. Geef nooit een opsteker en kritiek tegelijk, dat werkt verwarrend.

3. Onderzoek eens hoe vaak jongens een masker dragen om zich te beschermen (tegen ‘afbrekers’) en om te voorkomen dat ze zichzelf hoeven te tonen (althans in hun eigen zwakke zelfbeeld). Leerkrachten kunnen leren om niet met de maskers te communiceren, maar alleen te praten met de ‘echte’ jongens daarachter. Jongens kunnen leren die maskers af en toe af te zetten (als de situatie ‘veilig genoeg’ is). Zodat ze een normaal leven gaan leiden en in contact met hun gevoelens komen, daar kunnen ze dan iets mee doen, i.p.v. ze weg te stoppen en vervolgens te reageren uit verwarring, boosheid en wrok. Heel veel energie van jongens gaat zitten in hun eigen veiligheid, afweer, niet áf gaan, bluf, etc. Dit gaat ten koste van hun leren.

4. Ouders en leerkrachten kunnen voorkomen dat jongens zich moeten schamen. Als zij zich schamen trekken ze zich immers terug uit de communicatie. Dus niet: “Hoe heb je dát nou kunnen doen!!?”, maar: “Vertel eens, wat is er eigenlijk gebeurd?” (geïnteresseerde toon… ) Achter de hand: “Tja, dat dat niet kan, of mag, dat is duidelijk, maar vertel eens, hoe kwam dat zo, en hoe kan het eventueel anders?”

5. Stel kritiek uit tot een daarvoor geschikt moment (bijv. als er geen anderen bij zijn) en maak er gewoon feedback van ( “Ik zag dat je…., Wat vind jij ervan als ik zeg…”, of “Ik heb er last van als jij …” of “Zou je nou wel a, b of c…; ik denk dat anderen daar last van hebben..” etc. (Jongens ‘pikken’ veel meer als je hen ook waardeert voor zaken waar ze gewoon goed in zijn, of als jij merkbaar ziet hoe ze iets goed proberen te doen, ook al lukt het niet… “Ik zag dat je je een paar keer inhield en geen mep gaf. Prima!” in plaats van: “Nou zie ik dat je tóch weer mept”.

6. Jongens die snel worden gestraft krijgen niet het motief iets goed te maken; met een straf is immers de lei weer schoon en kunnen ze gewoon doorgaan met een volgende keer zonder de verantwoordelijkheid te voelen het dan ánders te doen.  ‘Straf hoort er kennelijk bij’.

7. Probeer je correctie (soms natuurlijk nodig) bij jongens op een kalme, gebiedende, niet boze maar duidelijke toon desnoods 4 tot 5 keer te herhalen, bijv.: “Je moet nu gaan zitten”. (Met perspectief op later eens uitpraten).

8. Voorkom een strijd om de waarheid door discrepanties te benoemen: “Aan de ene kant zeg jij dat je de tafel niet vies hebt gemaakt met de verf, aan de andere kant zie ik dat er duidelijk verf op je handen zit; dus ga nu maar de tafel schoonmaken.” Voorkom de strijd om ja of nee (hij hoeft niet ‘plat’, hij weet zelf duvels goed hoe e.e.a. in elkaar zit en de rest van de klas meestal ook). Geef de jongens de kans om te herstellen wat ze gedaan hebben zonder dat ze schaamtevol moeten bekennen. Afgang werkt averechts. Echte autoriteit heeft ook geen bekentenis nodig….

9. Geef de jongens ook de tijd om met jongens te werken. Bijvoorbeeld; 1/3 van de tijd met jongens, 1/3 gemengd met meisjes en 1/3 met vrienden. Structureer dat in het programma. Laat het niet aan toeval over. Kijk eens hoe het uitpakt als je de tafelgroepen soms wisselt.

10. Overweeg eens om af en toe jongens en meisjes apart les te geven. Dat geeft jongens de kans om actiever deel te nemen in gebieden waarin meisjes meestal beter zijn. Experimenteer en kijk wat het oplevert.

11. Jongens hebben vaker regels nodig omdat zij hun energie nog niet in balans hebben. Ze gaan soms pas aan het werk als duidelijk is:

–   wie de baas is

–   wat de regels zijn

–   of deze consequent worden toegepast

Dat geeft hen de veiligheid en de rust om te leren, doordat ze niet steeds in de gaten hoeven te houden of anderen hen te na komen (dat geeft stress en dat gaat ten koste van leren, leren is immers veranderen… dan moet de rest wel ‘safe’ zijn…) . Langzaamaan kunnen ze steeds meer zelf regelen. Stimuleer dat zonder ze te overvragen.

12. Rustige achtergrondmuziek helpt jongens (vaak ook meisjes) om geconcentreerd te blijven werken.

13. Jongens praten vaak gemakkelijker over emoties als ze bewegen of als ze iets doen, dat stabiliseert hen. Tijdens activiteiten die ze leuk vinden, kunnen ze zich veel gemakkelijker openen voor hun gevoelens en vertellen over wat hen bezighoudt en hun mogelijke problemen. En dan zijn zij ook meer ontvankelijk bij hulp om e.e.a. zoveel mogelijk zelf aan te pakken.

14. Jongens houden van fysiek contact. Geef ze af en toe een hand als ze iets goed gedaan hebben, of een klap op hun rug of schouder, mits gemeend,vooral niet ‘overdone’ (dat vinden zij – terecht – gênant.

15. De verlichting in de klas zou in veel lokalen iets meer kunnen worden gedempt. Dat creëert een atmosfeer waarin jongens gemakkelijker over emoties praten en over relationele problemen. Fél licht maakt alles zichtbaar en maakt extra op je qui-vive.

16. Jongens zijn vaak erg visueel (taal ontwikkelt zich bij hen wat later). Gebruik schema’s met pijlen of verbindingen. Het gebruik van kleur is ook belangrijk. Jongens letten beter op als er op het bord of op een prikbord aan de muur veel kleur gebruikt wordt. De informatie beklijft dan beter.

17. Als jongens verantwoordelijkheid krijgen, groeien ze. Als ze die verantwoordelijkheid later weer kwijtraken dan kan dat tot grote problemen leiden. Werk -zoals praktisch altijd- steeds stapsgewijs. Zorg dat de graad van verantwoordelijkheid per klas toeneemt (Vgl. Vygotsky op mijn site, achteraan in de tekst ‘meer achtergronden’).

18. Jongens hebben het nodig dat ze iets te zeggen hebben over hun omgeving. Laat het liefst hún regels zijn, niet die van een ander, laat ze er over meepraten, of zelf regels ontwerpen (en dan zelf merken wat er eventueel aan schort).

19. We kunnen jongens veel meer woorden geven en helpen vinden om hun gevoelens te beschrijven. Boosheid is soms de enige vorm die jongens van hun ‘peergroup’ mogen tonen. We kunnen ze de kans geven te leren om angst, frustratie, schaamte, teleurstelling, gekwetst zijn, gewaar te worden, te voelen en te benoemen of te verwoorden.

20. Ze kunnen ook leren schrijven over hun gevoelens als ze eenmaal zo ver zijn (fijne motoriek is vaak wat later). Jongens zijn daar veel minder goed in dan meisjes, maar dat hóeft niet (vgl. veel mannelijke schrijvers). Ook als ze op papier schijnbaar ‘grof’ of ongenuanceerd zijn, is het heel wat om dat aan papier toe te vertrouwen. Probeer er open over te communiceren. Goh, vind je dat? En ga er dan op door zonder meteen het (verborgen) beschuldigende vingertje of toontje. Vaak zeggen ze dan: “Nou ja, ik bedoel… Maar zo stond het er wel lekker vet”

21. Volwassenen kunnen model staan in het tonen en verwoorden van gevoelens, dat is zelfs een van hun taken t.a.v. volgende generaties.

22. Jongens leren beter als iets voorgedaan wordt, en nog beter als ze het zelf mogen uitproberen. Niet alleen maar luisteren. Het effect van:

– luisteren                           = 5%

– lezen                                   = 10%

– audiovisueel                   = 20%

– demonstratie                  = 30%

– discussie                           = 50%

– leren door te doen        = 65%

23. Als volwassenen optimistisch zijn over de toekomst van jongens dan worden jongens dat ook. Te vaak hangt er een doem over jongens. De maatschappij heeft last van ze in plaats van hen te steunen verwijten ze eigenlijk hén dat ze het zelf niet weten…. . Gevolg is dat veel jongens bang zijn voor zichzelf, hun eigen toekomst, en eigenlijk niet echt op willen groeien (naast alcohol en drugs krijgen dan ook computeren, gamen – dáár heb je a.h.w. vat op jezelf en de gevolgen van je eigen handelen, etc. een vlucht- en isolatiefunctie)

24. Zorg in de klas voor meer korte intensieve activiteiten, in plaats van langdurige periodes van concentratie. En kijk zo nodig eens naar meer dynamische werkvormen om de aandacht van jongens vast te houden. Daag ze uit, vooral bij het begin van een taak. Jongens moeten veel meer uitgedaagd worden:  soms, een enkele keer, “Dit is nu een opdracht voor ‘échte’ jongens!” (Ook al kun je dat als rechtgeaard feministe nauwelijks over je lippen krijgen…  En als de meisjes mee willen doen, geen probleem…) Zoek een vorm, een formulering, nuanceringen komen heus later als jongens zich eenmaal thuis en geaccepteerd voelen. First things first.

25. Moedig jongens vaker aan om hun antwoorden (verbaal en schriftelijk) uit te breiden, door niet meteen te reageren op mogelijk wat grove of onzorgvuldige taal maar gewoon nieuwsgierig verder te vragen. “Goh.. en wat bedoel je daarmee, en waar denk je dan aan.. (eventueel, als het past: zou je dat kunnen tekenen? Heb je daar een kleur bij?” Vaak krijg je dan reacties in de zin van “Nou ja, ik bedoel eigenlijk…” (Daar is rust,enige ruimte en sociale veiligheid voor nodig, zeker ook in de relatie leraar-leerling)

26. Gebruik vaker een quiz om kennis te toetsen. Een toets is top-down, leerkracht-leerling. Een quiz is leerling-leerling, en daardoor competitiever. In kleine teams werken en een ‘prijs’ kunnen winnen. Jongens willen juist vaak erg graag weten of ze iets beheersen, kennen of kunnen. Geef eerst niet te zware kleine toetsen (kun je gemakkelijker inhalen) en langzaam oplopend tot zwaardere integrale toetsen met meer tussenpozen.

27. Geef jongens meer tijd om na te denken voor ze een vraag van een leerkracht moeten beantwoorden (iets onder woorden brengen kost hen letterlijk meer ‘hersen-tijd’ dat wordt pas later minder door oefening; het gaat niet vanzelf. Premie op snelheid is premie op niet goed nadenken. Kijk eens kritisch naar de aanpak van ‘vinger opsteken’. In plaats daarvan: laat kinderen, maar ook pubers even kort in tweetallen overleggen over het antwoord.

28. Jongens hebben vaak weinig zelfkennis omtrent hun eigen leergedrag en hebben dan ook vaker feedback hierover nodig. Mits goed gebracht zijn ze vaak zéér geïnteresseerd.

29. Jongens overschatten hun eigen kunnen veelal en onderschatten de taak. Daar zit veel lef in, boor dat niet in de grond, maar probeer het met hen samen in stukjes te delen, voordat te veel – aldus zelf geproduceerde teleurstelling – hen demotiveert. (Zie ook 17.Vygotsky)

30. Jongens die te veel in branie en bluf zitten, geven na een mislukking sneller op, zij proberen het geen tweede keer, zijn bevreesd om te falen. Help ze daarbij. Voorkom falen bij de eerste poging. Laat ze eerst succes ervaren, en ga dan een stap verder. Zoek zaken op waarin ze kunnen slagen, later komen de lastiger dingen.

31. Jongens kunnen beter heel vaak iets te doen hebben. Laat ze iets doen tijdens het voorlezen door de leerkracht (bijv. woorden opschrijven die ze niet kennen).

32. Geef ze een papieren rol op hun tafel, waar ze op kunnen schrijven gedurende de dag; aan het eind van de dag kunt u of zijzelf die er weer af halen.

33. Jongens werken vaker voor hun leerkracht (als ze het gevoel hebben dat hij of zij hen waarderen). Investeer in de relatie!

Lauk Woltring, maart 2010: “Dit is deels een bewerking van een reeks tips op www.boysforward.com Op deze Engelstalige site van Ian Lillico uit Australië staan zeer veel praktische aanwijzingen voor opvoeders en onderwijzers. Ik heb er een stel vertaald, bewerkt en aangevuld, deels als aanpassing aan de NL situatie, deels omdat de tekst in mijn ogen soms wat negatief geformuleerd was (die niet dit of dat), en veel ‘moeten’ bevat. Ik heb de tekst geïntegreerd met mijn opvattingen (zie verder o.a. www.laukwoltring.nl) Dat doet echter niets af aan mijn grote waardering voor het werk van Lillico met wie ik heb samengewerkt en af en toe ervaringen uitwissel.“

Gerelateerde artikelen

po/vo
15/02 in actueel

Gendervriendelijkheid

po/vo
10/01 in actueel

Actueel – Boys & Girls

Stel je vraag aan

sluiten

sluiten

Geef aan waarin je geïnteresseerd bent