leestijd:

“Van intuïtief naar beredeneerd.”

In 1985 werd het kleuter- en het lager onderwijs samengevoegd tot één basisschool. Tegelijkertijd werden ook de bijbehorende opleidingen, klos (kleuterleidster opleidingsschool) en pedagogische academie, samengevoegd tot één opleiding. Sommige betrokkenen ervaren hierdoor een onderwaardering en een toenemende verschoolsing van de kleuterperiode. De overgrote meerderheid van de kleuterleidsters ervaart ook een druk van ouders, leerkrachten van hogere groepen, schoolleiding en Inspectie om ‘schoolser’ te werken en meer op cognitieve prestaties te sturen (Voorwinden, 2009).

Als schoolleider ben je verantwoordelijk voor de school als geheel. Een geheel dat gekenmerkt wordt door een bepaalde organisatiestructuur en bestaat uit diverse groepen leerlingen en professionals. Zelf heb je misschien ook enkele jaren voor de klas gestaan, wat heeft geleid tot een expertise op een bepaald gebied. Maar hoeveel weet je van de specifieke ontwikkeling van en werkwijze bij de kleuters? En wat moet je weten om goed leiding te kunnen geven aan de onderbouw?

Om de ontwikkelingen in de doorgaande lijn te kunnen volgen en de professionaliteit van de leerkrachten van groep 1 en 2 te kunnen beoordelen is het van belang dat de schoolleiding op hoofdlijnen kennis heeft van de werkwijze van groep 1 en 2 en het specifieke karakter van de kleuterdidactiek. Deze kennis is nodig om:

  • Beleid te kunnen ontwikkelen, met behoud van het specifieke karakter van het jonge kind.
  • Een inschatting te kunnen maken van de kwaliteit van onderwijs en de uitvoering van een beredeneerd aanbod (tijdens het uitvoeren van consultatie in groep 1 en 2).
  • De juiste vragen te kunnen stellen over leren en ontwikkelen en planmatig handelen tijdens (functionerings/beoordelings) gesprekken met leerkrachten groep 1 en 2.

Leidinggeven vanuit de drie uitgangspunten:

Wanneer je als schoolleider, IB’er of onderbouw coördinator leidinggeeft aan de onderbouw, doe je dat vanuit drie uitgangspunten:

inhoud – houding – verhouding

OGWDit betekent dat je allereerst op de hoogte moet zijn van de inhoud:

  • Ontwikkeling van het jonge kind. ‘Kleuter zijn’ is een ontwikkelingsfase en geen aanduiding van een bepaalde leeftijd. Daarom spreken we in de onderbouw ook van ontwikkelingslijnen, die vanaf groep 3 doorlopen in leerlijnen.
  • Opbrengstgericht werken in groep 1/2. Werken met een cyclisch en beredeneerd aanbod waarin duidelijk wordt op welke wijze groepsoverzichten, groepsplannen en themaplanningen zich tot elkaar verhouden.
  • Verschillende visies op het onderwijs aan jonge kinderen. Programmagericht, ontwikkelingsgericht, ervaringsgericht of een van de vele tussenvormen.
  • Factoren die van invloed zijn op de kwaliteit van het onderwijs aan het jonge kind: leerkrachthandelen, aanbod en leeromgeving.

Naast kennis over inhoud is het van belang om te reflecteren op je houding; Ben ik in staat om inhoudelijk een verbinding te maken met de leerkrachten in de onderbouw? Kan ik daarbij de juiste vragen te stellen? Welke houding neem ik aan ten aanzien van de ontwikkelingen in de onderbouw? Wat doe ik om op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen en de leerkrachten aan te sturen vanuit de visie en de schoolontwikkeling?

Het laatste uitgangspunt is aandacht hebben voor de verhouding; Is er een gezamenlijke visie op het jonge kind? Is er voldoende samenwerking en afstemming tussen de leerkrachten, coördinator, IB’er en schoolleider? Kunnen we de aanwezige expertise voldoende inzetten in de ontwikkelingen van de onderbouw? Hoe verloopt het proces om te komen tot een doorgaande lijn zich ten aanzien van peuters, kleuters en groep 3 t/m 8?

Blijven-Niet-Gaan

Om snel zicht te krijgen op enkele van de bovenstaande vragen kun je samen met het onderbouwteam de werkvorm Blijven-Niet-Gaan inzetten. De drie kolommen worden ter voorbereiding door alle leerkrachten van de onderbouw, IB’er, onderbouwcoördinator en schoolleider ingevuld. Tijdens een overlegmoment worden alle antwoorden vervolgens met elkaar besproken en samengevoegd tot een overzicht of poster. Naast dat het jou als schoolleider inzicht biedt, brengt het de teamleden met elkaar in gesprek en kan men gezamenlijk de juiste focus leggen op ontwikkelingsaspecten voor de korte en lange termijn.

kaartje

Aandacht voor een visie op het jonge kind

Is de werkwijze in de onderbouw gebaseerd op een samengedragen visie of een verzameling overtuigingen van de leerkrachten die er werken?

In de samenstelling van de teamleden in de onderbouw en de aanwezigheid van de diverse expertises, zien we steeds meer behoefte aan het uitwerken van een gedeelde visie op het werken met jonge kinderen. Het uitspreken van de specifieke kenmerken, eigenschappen en werkwijzen in de onderbouw is nodig om een gezamenlijke ambitie te kunnen formuleren en die uit te dragen naar het team en naar ouders. We nemen in de uitwerking van deze specifieke visie de volgende vragen als uitgangspunt:

OMGEVINGSBEELD

Beschrijving van de specifieke populatie en doelgroep. Welke veranderingen/ontwikkelingen verwacht je de komende jaren? Welke uitdagingen liggen er en hoe gaan jullie daar mee om? Welke relaties heb je in je directe omgeving (peuters – groep 3 t/m 8)? Wat betekent dat voor jullie rol en aandeel in het geheel?

DROOMPOSITIE

Wat willen jullie realiseren (bijv. pedagogisch, didactisch, maatschappelijk, organisatorisch, professioneel)? Wie of wat willen jullie zijn voor de kinderen en ouders, in de wijk, t.o.v. peutergroepen en groep 3 t/m 8?

SUCCESFORMULE

Waardoor gaan jullie je droompositie gaan behalen? Waar zijn jullie sterk in? Wat is kenmerkend voor jullie? Hoe creëren jullie ‘een goede basis’ voor jonge kinderen? Hoe zijn jullie een onderdeel in het geheel? Wat gaan jullie nog versterken of wat gaat jullie sterker maken de komende jaren?

De onderbouw als onderdeel van het geheel

Naast het specifiek maken van de visie in de onderbouw is het vervolgens van belang om vanuit deze visie de doorgaande lijn en samenwerking op te zoeken. De kleuterontwikkeling is een cruciale fase in de ontwikkeling van het kind en legt een basis in de leer- en werkhouding die nodig is vanaf groep drie. Het moment dat de doorlopende ontwikkelingslijnen steeds meer overgaan in leerlijnen.

Om met elkaar tot een doorgaande lijn en samenwerking te komen, zijn er drie niveaus waarop je kan sturen:

1)Beleid en samenwerking

Denk hierbij aan:
– visieontwikkeling onderbouw
– doorgaande lijn zelfstandig werken/klassenmanagement
– overgang 2-3
– samenwerking voorschoolse voorziening

2) Registratie & Overdracht:

Denk hierbij aan:
– data-analyse: wederzijds leren kijken naar data
– rapportage: hoe leggen we de ontwikkeling vast en communiceren we hierover naar elkaar en naar ouders?
– informatie uit het leerlingvolgsysteem: Hoe verloopt de overdracht van de observatiegegevens van 1-2?

3) Inhoud & Aanpak:

Denk hierbij aan:
– Gezamenlijke thema’s
– Regels & Routines
– Pictogrammen
– Groep-overstijgende circuits
– Werken met kringen, hoeken
– Inzet van planbord

Leidinggeven aan de onderbouw is allereerst je intuïtie volgen en vervolgens het gesprek voeren met de betrokkenen in de onderbouw (leerkrachten, IB’er, specialist jonge kind, onderbouwcoördinator).

Bron: Creemers, Martine (2016). Leidinggeven aan de onderbouw. PO magazine, jaargang 4 (nummer 3), 36-38. 

Gerelateerde artikelen

po
po
28/01 in actueel

Boekie in picto’s

sluiten