leestijd:

 

Hoofdstuk 2A: Theorie

Slim KleuterenOntwikkelingskenmerken en leereigenschappen

Er zijn ontwikkelingskenmerken en leereigenschappen, die vaak bij een kleuter met een ontwikkelingsvoorsprong terug te vinden zijn.

Hoofdstuk 2B: Praktijk

Niveaus van leren

Wanneer we spreken van een ontwikkelingsvoorsprong betekent dat niet, dat al deze aspecten bij een kind aanwezig zijn. Het zijn vooral aandachtspunten die helpen om met andere ogen naar deze kleuter te kijken en wellicht vanuit een andere verwachting te reageren.

Uit onderzoek naar jonge kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong is gebleken dat, onder invloed van hun omgeving, deze kinderen andere verwachtingen hebben van school. Het eerste moment is bij de start in groep 1, als blijkt dat ze niet meteen gaan leren lezen en rekenen. Het tweede moment is bij de overgang naar groep 3. Vaak blijkt dan, dat zij zich de daar aangeboden leerstof al op eigen kracht eigen hebben gemaakt. Het maakt duidelijk hoe belangrijk de afstemming op en communicatie met deze kinderen en hun ouders is, om frustratie bij deze kinderen te voorkomen. Dit betekent dat we vanzelfsprekendheden moet loslaten en de begrippen ‘spelen’ en ‘leren’ opnieuw inhoud dienen te geven voor deze jonge kinderen.

Tijdens de werkles willen we dat kinderen in zekere mate zelfstandig met de verwerking van een aantal ontwikkelingsdoelen aan de slag gaan. Dit kan door het spelen in uitdagende hoeken, maar ook met ontwikkelingsmateriaal. Met de materialen toetsen we als het ware of kinderen zich dat onderdeel al eigen hebben gemaakt. Een begrip als b.v. dik- dun kun je niet aanleren door de plaatjes neer te leggen in goede volgorde.

Leren van concreet naar abstract

Niveau 1 Als de leerkracht kinderen een nieuw begrip gaat aanleren, wordt er uitgegaan van het concrete; voorwerpen uit de dagelijkse werkelijkheid van de kinderen. De bedoeling is dat kinderen met de concrete materialen veel en veelzijdig ervaringen opdoen. Veelal zullen het betekenisvolle materialen zijn die in een thema en/of huishoek geplaatst worden. Als we het begrippenpaar dik -dun nemen, gaat het in die eerste fase om het bij elkaar zoeken van voorwerpen die dichtbij de belevingswereld van de kinderen zijn. Bij dit begrip moet de voorwerpen even groot zijn in lengte en alleen de omvang varieert. Voorbeelden zijn: dikke /dunne jas, dik/dun boek, dikke /dunne steel, dikke / dunne plak koek.

Niveau 2 De volgende stap is die van de verkleinde werkelijkheid door middel van bv. wereldspelmateriaal. Dit materiaal wordt vaak als aanvulling op bouw-en constructieactiviteiten gebruikt, maar het is ook uitstekend alleen te gebruiken. In de spelsituatie met het materiaal kan met het begrip gemanipuleerd en toegepast worden in meerdere situaties. Met knutselen ontwikkelt het kind niet alleen creatieve vaardigheden, maar ook in het proces om het begrip toe te passen is het een mogelijkheid om kinderen functioneel met een aangeleerd begrip aan de slag te zetten. Voorbeeld: Maak twee dezelfde bomen alleen de ene moet dik zijn en de andere dun.

Niveau 3 Om op abstracter niveau bezig te zijn, kunnen de ontwikkelingsmaterialen die concrete abstracties in zich hebben hierna ingezet worden ( bv de bruine trap van het Montessori-materiaal of onderdelen van Seriant). Hierin zijn de begrippen in hun meest zuivere vorm zichtbaar. Het begrip is abstract maar toch concreet omdat het driedimensionaal is en dat kinderen ermee kunnen handelen.

Niveau 4 Hierbij gaat er gewerkt worden in het platte vlak. Er kan gedacht worden aan afbeeldingen die gerepresenteerd worden in lotto’s e.d.

Niveau 5 Dit is het niveau van de werkbladen met concrete en/of abstracte figuren. Het begrip moet dan tweedimensionaal herkend/ toegepast worden zonder context. Zorg dat kinderen hier niet alleen passief kleuren- onderstrepen – kringetjes zetten, maar spreek hun denkvermogen aan door ze voorspellingen te laten doen of door een eigen werkblad te laten ontwerpen waarin het begrip naar voren komt.

Wat betekent dit nu voor kleuters met een ontwikkelingsvoorsprong? Vaak wordt gedacht dat er vooral op niveau 5 gewerkt moet worden met de kleuters die een ontwikkelingsvoorsprong hebben. Maar ook zij moeten eerst handelend bezig zijn om een nieuw begrip te ervaren en om er meer inhoud aan te kunnen geven. Het aan te leren begrip moet dan wel in hun zone van naaste ontwikkeling passen. Ook het switchen of combineren van de niveaus past bij deze kinderen. Voorbeeld: Wat moet je bij deze lotto bij elkaar zoeken? Waar zie je dit ook als je buiten- thuis- of in de winkel bent? Hebben wij ook ontwikkelingsmaterialen in de klas waar je dit ziet? Hoe kun je dat zelf maken/tekenen?

Daarnaast moeten de kleuters met een ontwikkelingsvoorsprong leren om na te denken, omdat ze alles eigenlijk al heel gemakkelijk kunnen. Ook zij moeten leren ergens moeite voor te doen en ervaren dat fouten maken mag. Hier is wel een veilige omgeving voor nodig.

Hoofdstuk 2C: Verrijking

Bestaand ontwikkelingsmateriaal verrijkenH2 p2

Van deze publicatie verschenen ook al:

Stel je vraag aan

sluiten

sluiten

Geef aan waarin je geïnteresseerd bent

    Ik geef toestemming om nieuwsbrieven te ontvangen van Onderwijs Maak Je Samen.