leestijd:

De onderwijspraktijk en stimuleren van gecijferdheid

Elke dag zijn leerlingen in de weer met rekenopgaven op school. De leraar gebruikt hierbij vaak een rekenmethode en de leerlingen noteren hun antwoorden in hun rekenschrift, op hun Chromebook of ander device. In een schoolweek zijn er vaak drie of vier leraargebonden instructies. Als de leerlingen de instructie begrijpen, gaan zij zelfstandig verwerken. Daarnaast zijn er meestal minimaal een of twee momenten in de week waarop de leerlingen zelfstandig aan rekenopgaven werken. Na de rekeninstructie van de leraar gaan zij veelal aan de slag met het maken van rekenopgaven, alleen of samen, al dan niet met didactisch hulpmateriaal.

Uit het peilingsonderzoek Rekenen-Wiskunde in het primair onderwijs (SLO, 2021a) blijkt dat meer dan driekwart van de leraren de rekenmethode voor meer dan 90% nauwgezet volgt. Dit zorgt voor een gedegen reken-wiskundeaanbod en elke dag oefenen leerlingen hun rekenvaardigheid.

Aan het eind van de basisschool maken leerlingen een eindtoets met opgaven waaruit blijkt in hoeverre ze de referentieniveaus 1S en 1F beheersen. De referentiesniveaus Taal en Rekenen beschrijven wat de leerlingen moeten kennen en kunnen (SLO, 2021a). Uit de peiling van de onderwijsinspectie in 2018-2019 naar het behalen van de referentieniveaus blijkt dat het fundamentele niveau (1F) ruimschoots behaald wordt voor rekenen (Inspectie van het Onderwijs, 2020). Dat is een mooi resultaat. Het streefniveau (1S) behaalt echter minder dan de helft van de leerlingen aan het eind van het basisonderwijs. Dit bleek ook uit eerdere onderzoeken van de inspectie (Inspectie van het Onderwijs, 2019b). Het behalen van de streefkwaliteit zou volgens de commissie-Meijerink, die deze referentieniveaus heeft geformuleerd, voor veel meer leerlingen haalbaar moeten zijn (tabel 1).

Wij zijn van mening dat meer leerlingen het streefniveau kunnen behalen wanneer je in het rekenonderwijs leerlingen meer en vaker zult uitdagen om hun gecijferdheid te ontwikkelen.

Sleutelvragen

  • Wat zijn de resultaten van jullie leerlingen op 1F en 1S?
  • In welke mate zijn jullie tevreden met deze resultaten?
  • Welke ambities hebben jullie als team?
  • Wat vinden jouw leerlingen van het rekenonderwijs?

 

De kern van het rekenonderwijs

Volgens SLO is het doel van het reken-wiskundeonderwijs dat alle leerlingen vaardigheden ontwikkelen waarmee zij reken-wiskundige problemen leren oplossen, waarbij zij wiskundige en rekenkundige modellen weten te hanteren, wiskundig kunnen redeneren en wiskundige formules hanteren (SLO, 2021b). Om dit te bereiken is het noodzakelijk dat zij basiskennis en basisprocedures beheersen, correct communiceren in, met en over reken-wiskunde en gebruik kunnen maken van ICT-hulpmiddelen (grafische rekenmachine). Hiervoor heeft Curriculum.nu bouwstenen beschreven voor het primair onderwijs. Dit landelijk curriculum is nog in ontwikkeling.

Sleutelvragen

  • Bekijk de website van Curriculum.nu (zie link hierboven): welke bedoeling streven jullie na met het rekenonderwijs op school?
  • In welke mate besteden jullie aandacht aan het ontwikkelen van wiskundig denken?

Leren is een sociaal proces waarbij leerlingen productief en actief betrokken zijn. In de rekenles betekent dit dat leraar en leerlingen actief met opdrachten en rekeninhouden bezig zijn. Met rekenopgaven die leerlingen verwonderen en boeien, die betekenisvol voor hen zijn. Leraar en leerlingen onderzoeken samen, denken hardop, experimenteren met strategieën, vergelijken hun aanpak, wisselen ideeën uit, stellen elkaar vragen en reageren op elkaar, om vervolgens samen conclusies te trekken en verbanden te leggen. In de reken-wiskundedidactiek wordt dit mathematiseren genoemd: situaties en problemen uit het dagelijks leven worden tot reken-wiskunde gemaakt. Je bekijkt een situatie uit de realiteit met reken-wiskundige ogen, bespreekt de rekentaal in de context en brengt je kennis van rekenen en wiskunde in. Dit mathematiseren door de leraar draagt bij aan de ontwikkeling van gecijferdheid van alle leerlingen.

Het interactieproces waarin een leraar samen met leerlingen situaties uit het dagelijkse leven mathematiseert, zal beïnvloed worden door een verschil in voorkennis en vaardigheden van leerlingen, door hun mogelijkheden en door de mate van intensiteit van de interactie en de samenwerking (Nelissen, 2001). Het verschil in voorkennis is vanzelfsprekend, omdat je nu eenmaal allemaal verschillende ervaringen en vaardigheden hebt. Door juist met elkaar over een reken-wiskundecontext te praten en de ervaringen uit te wisselen, zijn alleleerlingen in ontwikkeling en zal het verschil in voorkennis langzaam afnemen. Samen hardop denken en verwoorden, luisteren naar oplossingen en uitleg van anderen, onderhandelen, anderen overtuigen en je laten overtuigen zullen de interactie en samenwerking juist stimuleren.

Sleutelgedachte

Mathematiseren betekent: situaties uit de realiteit waarbij reken-wiskundekennis en -vaardigheden worden toegepast, samen onderzoeken, maar ook samen conclusies trekken en verbanden leggen in het reken-wiskundig denken, waardoor leerlingen hun gecijferdheid ontwikkelen.

Leraren ervaren dat de instructie beter overkomt wanneer zij tijdens de instructie interactie organiseren met leerlingen. De interactie tussen leraar en leerlingen bestaat uit vragen stellen, samen hardop denken en oplossingen verwoorden. Wetenschappelijk onderzoek van Princeton (Stephens, Silbert & Hasson, 2010) bevestigt dat door interactie de instructie beter overkomt en beklijft. Door interactie ontstaat namelijk een neurale koppeling in de hersenen waarmee leerlingen hun hersenactiviteit afstemmen op die van de leraar. Een voorbeeld van een manier om die interactie te creëren is vragen stellen aan leerlingen.

Bestel ‘De kracht van rijke rekenvragen in een notendop’ direct in onze webshop.

Stel je vraag aan

sluiten

sluiten

Geef aan waarin je geïnteresseerd bent

    Ik geef toestemming om nieuwsbrieven te ontvangen van Onderwijs Maak Je Samen.